Uit de depots: basisdecor 1951

Een van de doelen van het project ’50 jaar tv-decor’ is het veilig stellen van erfgoed van decorontwerpers. Het veiligste is wat dat betreft de kelder van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en daar zijn dit jaar bijvoorbeeld de archieven van Freek Biesiot en Peter Zwart ondergebracht.

Maar Beeld en Geluid en voorheen het Omroepmuseum hebben in de loop van de jaren natuurlijk veel meer materiaal verzameld via decorontwerpers, programmamakers en andere omroepmedewerkers. De komende weken ga ik daarom in de depots en catalogi inventariseren wat er precies aanwezig is op het gebied van decorontwerp.

De eerste ‘vondsten’ zijn veelbelovend. Zo lag tussen een stapel plattegronden van studio Irene en de Ambachtsschool de werktekening van Peter Zwart voor zijn basisdecor; een set van wanden, deuren, ramen en andere delen waarmee een veelvoud aan decors gebouwd konden worden.

 

1 thought on “Uit de depots: basisdecor 1951

  1. Hallo Liselotte,

    Leuk dat je deze basis opzet van Peter Zwart van de decor onderdelen hebt gevonden.
    Er waren dus enorme magazijnen in de kelders van het gebouwencomplex, waar de trekkers met karren erachter af en aan reden. Dit heette “Het Fundus” ik weet niet wie deze naam bedacht heeft, maar het betekend zoiets als ‘bodem’, dus in dit geval basis materiaal voor de opbouw van decors.

    Het bestond uit Praktikabels (opvouwbare stellages om vloeren op hoogte te brengen) Wanden, Kozijnen, Zuilen, en later ook ramen en deuren, schouwen en trapballusters etc. zodat deze hergebruikt konden worden en niet steeds opnieuw moesten worden aangemaakt, wat natuurlijk een enorme besparing van tijd en materiaal opleverde.
    De wanden werden met speciale ‘klampen’ van ijzer aan elkaar verbonden, zodat het niet gespijkerd hoefde te worden, want dan zouden er bij het weer uit elkaar halen flinke beschadigingen ontstaan. Mind you, alles werd toen nog gespijkerd want de schroefmachine (Makita) was nog niet uitgevonden.

    Er waren ook nadelen aan verbonden: ten eerste was het allemaal degelijk gemaakt, dus loodzwaar, ten tweede moest je als decorontwerper altijd rekening houden met de standaard maten en dat kwam niet altijd goed uit. De Praktikabels gingen met 20 cm omhoog, dus +20, +40, +60 etc. De wanden (decor-schotten) werden met 25 cm steeds breder, dus: 25, 50, 75 en 100 cm breed en in verschillende hoogten natuurlijk, maar meestal 3 of 4 meter.

    Behangselpatronen werden toen nog met rolletjes en schablonen er op aangebracht, als er echt behangselpapier werd gebruikt, of als de wanden een ruw gestuct oppervlak moesten hebben werden ze eerst bespannen met een grof soort jute weefsel, zodat het er weer gemakkelijk afging, anders zouden de wanden na elk gebruik wat dikker en onhandelbaarder worden. We hadden dus ook A-schotten en B-schotten, die laatsten waren aan vervanging toe en daar mocht je meer op kliederen, omdat ze na gebruik toch de “kraker” in gingen.

    Een ander nadeel was deze maatvoering die niet aansloot op de in de architectuur gebruikelijke maatvoering. Dus een deur was bijvoorbeeld 1 meter breed en 2 meter hoog, terwijl een standaard deur in normale huizen 83 cm breed is en 211 cm hoog. Dit resulteerde dus vaak in lelijke verhoudingen in een decorset. Een trap ging met 20 cm omhoog, de zgn ‘optrede’ terwijl een trap idealiter met zo’n 17 cm omhoog gaat, en de “aantrede” was met 25 cm dus weer erg kort vooral voor een artieste die een showtrap komt “afzweven” op hoge hakken. Een recensent kon dus schrijven “ze kwam als een paard de trap af bonken” want het klonk ook nog eens erg hol namelijk.

    Tegenwoordig is het hele Fundus opgedoekt, omdat opslagruimte duurder is geworden dan alles nieuw te bouwen, daarmee zijn we natuurlijk ook verlost van die rigide maatvoering, maar het is wel minder milieuvriendelijk.
    Begin jaren 70 heb ik een serieus voorstel gedaan om het hele Fundus geleidelijk te vernieuwen, omdat het toch zo langzamerhand oud en beschadigd was, en daarmee een andere maatvoering in te voeren, namelijk 15 cm, 30, 45, 60, 90, 120 en zo verder zowel in de hoogte als in de breedte.
    Maar die investering werd te duur bevonden dus is het er nooit van gekomen.

    Peter Zwart heeft niet alleen de basis decorstukken ontworpen, maar ook de basiskleuren voor de verf (die voor de vloeren afwasbaar moest zijn). Later toen het kleurentijdperk er aan zat te komen heeft hij een gecompliceerd kleurensysteem opgezet samen met het “LAB” van Phillips in Eindhoven. Aan Jan Noorda de eer om het fundus-systeem te completeren met de decorvijzels waarmee grote delen van het in de voorbouwhal gemaakte decor naar de studio’s kon worden gereden.

    Freek Biesiot

Reageer