What’s another year: volgend jaar een Nederlands Songfestivaldecor

Eurovision: Europe Shine a light (16-5-2020 AVROTROS, NPO, NOS)

Geen Eurovisie Songfestival dus dit jaar. Gelukkig werden de liefhebbers wel getrakteerd op vervangende programmering, zoals het Songfestival uit 1980 (met dansend decor van Roland de Groot), en zaterdagavond 16 mei brachten AVROTROS, NPO en NOS de alternatieve show Eurovision Europe Shine a Light. De artiesten die nu niet naar Rotterdam kwamen werden in het zonnetje te gezet en aantal voormalige winnaars en deelnemers traden op, met als toppunt van toepasselijkheid het door Johnny Logan en de drie presentatoren gezongen ‘What’s Another Year’, het liedje waarmee Logan in 1980 het voor het laatst in Nederland georganiseerde Songfestival won. Een jaartje geduld nog, want gelukkig werd in de show bevestigd dat het Eurovisie Songfestival 2021 uit Rotterdam zal komen.

Hoewel Europe Shine a Light natuurlijk niet kan tippen aan een echt Songfestival, was er klein lichtpuntje: deze show kwam vanuit een Nederlands decor! De show werd gepresenteerd vanuit Studio 21 die ongeveer een half jaar geleden opnieuw is ingericht als 360 graden studio en eventlocatie. Stage designers Sander Reneman (van TWOFIFTYK) en decorontwerper Ronald van den Bersselaar bedachten de ronde, 360 graden opstelling.

De inrichting van Studio 21 was zeer geschikt voor Europe Shine A Light, de ronde LED schermen gaven het geheel diepte en een intieme sfeer. Ik vind persoonlijk zo’n ronde wand een mooie manier om scherm in scherm weer te geven, mooier dan op een plat oppervlakte. Ook bij nieuwsshow Even tot hier is gekozen voor een half rond scherm om het thuispubliek weer te geven en dat werkt best wel goed.

Het doet me ook afvragen hoe Shine a Light er in het oorspronkelijke decorontwerp van Florian Wieder voor het Eurovisie Songfestival 2020 uit had gezien. Bij een show zonder publiek heb je niets aan indrukwekkende shots vanuit het achterste hoekje van Ahoy zoals we op de eerste vrijgegeven gerenderde afbeeldingen zagen, je wilt de presentatoren zien. En hoe zien die er uit op een immens plat podium met een platte achterwand? Een beetje zoals het weerbericht uit het chroma-key tijdperk stel ik me voor; geen diepte, nul karakter, slaapverwekkend saai. Maar goed, je mocht er niets over zeggen, want er zouden nog allerlei verrassingen in het decor verstopt zitten en, fair enough, je kunt een decorontwerp pas beoordelen na de uitzending. Maar als er volgend jaar nog steeds geen, of zeer beperkt, publiek aanwezig mag zijn omdat deze pandemie nog voortraast, lijkt me Wieders decor simpelweg ongeschikt.

Vooralsnog ziet het er naar uit dat volgend jaar rond deze tijd het feest in Rotterdam gewoon doorgaat. Laten we hopen dat alle Nederlandse creatieven, leveranciers, crewleden en bedrijven die bij de productie betrokken zouden zijn deze lastige tijd doorstaan en er volgend jaar weer bij kunnen zijn. Het zou natuurlijk mooi zijn als de organisatie toegeeft dat ook decorontwerp uit Nederland moet komen. Want waarom een van de grootste klussen in de Nederlandse tv-geschiedenis gunnen aan een Duits-Amerikaanse moghul en tegelijkertijd zo hoog van de toren blazen over Nederlandse innovatie en creativiteit? Waarom voor alle disciplines selecteren uit het beste uit Nederland en alleen voor decorontwerp een internationale pitch uitschrijven? Laf en hypocriet, aardiger kan ik het niet verwoorden.

Nu de eventsector dreigt om te vallen en ook de tv-industrie een flinke knauw krijgt, is het nog belangrijker dat NOS, NPO en AVROTROS daad bij het woord voegen; laten zien wat Nederland te bieden heeft op het gebied van innovatie en creativiteit. Schrijf voor het Eurovisie Songfestival 2021 een nieuwe pitch decorontwerp uit en nodig daar – net bij alle andere pitches, tenders en sollicitatieprocedures die ze in 2020 hebben gehouden – exclusief Nederlandse partijen voor uit.

Vormgevingsarchieven onder de aandacht

In het Nieuwe Instituut te Rotterdam was de afgelopen maanden een boeiende tentoonstelling te zien. Het ging in het Speculatief Design Archief niet zo zeer om de objecten die tentoongesteld werden, de installatie vroeg aandacht voor de erbarmelijke toestand van vormgevingsarchieven. In het kort: die hadden na een voorzichtige opleving dankzij het internationale succes van “Dutch Design” nogal te leiden onder de kaalslag van Halbe in 2012. Anno 2018 constateert de Raad voor Cultuur dat het geheugen van de sector er niet goed voorstaat; vormgevingserfgoed is versnipperd, incompleet en niet goed te bestuderen. Duh! Bij Het Nieuwe Instituut ontstond als reactie hierop het Speculatief Design Archief.

Stichting Designgeschiedenis organiseerde 30 november 2018 naar aanleiding van het Speculatief Design Archief een bijeenkomst voor mensen die zich bezig houden met vormgevingsarchieven, professionals, leken en archiefvormers. Karin van der Heijden (die o.m. leiding gaf aan het in 2014 opgeheven NAGO) schetste verleden en toekomst van de problematiek, deed aanbevelingen en probeerde te verklaren waarom het toch telkens niet lukt om een goede infrastructuur voor het bewaren van vormgevingsarchieven te bouwen. Om de huidige situatie te schetsen waren Chris Reijnewald en ik uitgenodigd om te vertellen over onze moeite om een goed onderkomen te vinden voor respectievelijk het archief van designtijdschrift Items (Chris) en het archief van decorontwerper Freek Biesiot (moi).

De hindernissen die Chris en ik tegenkwamen waren van vergelijkbare aard, die van mij lagen misschien meer in het domein van wat in de archiefwereld aangeduid wordt met de ietwat onsmakelijke term ‘ontsluiting’. Want het vinden van een fysieke plaats voor de dozen met tekeningen, foto’s en maquettes was snel gebeurd, het mogelijk maken van ontsluiting van dit materiaal was een hele bevalling. Freek en ik maakten uitvoerig foto’s, lijsten, nummers en leverden dat samen met de dozen in. Wíj weten wel dat die dozen veilig in het depot staan en dat er ergens iemand in een kantoortje in het kleurrijke gebouw op het mediapark zit die op zijn computer onze lijsten en foto’s kan oproepen. Maar als je in de online zoekmachine (in de nieuwste reïncarnatie “DAAN” genoemd) naar “Freek Biesiot” zoekt, vind je NIETS van onze inspanningen terug. Als een archief in een depot ligt en er zijn maar drie mensen die weten dat het er is, bestaat zo’n archief dan wel?

Nu hebben Freek en ik na het beschrijven, nummeren en archiveren nog een tweede slag gemaakt door selecties van het materiaal online te publiceren, vooral op de Beeldengeluidwiki.nl, op Biesiot.nl en op deze site, onder menu-item ‘Inventarisatie ontwerparchieven’ kun je terugvinden waar de archieven van Freek en vele andere decorontwerpers zich bevinden. Die inventarisatie-pagina’s zijn geïnspireerd door de werkwijze van het eerder genoemde NAGO. Het NAGO had geen gebouw, geen depot of tentoonstellingsruimte, het het was een digitale ontsluiting, het maakte zichtbaar wat er nog was (van onder meer Wild Plakken, Jan Bons en Total design) en waar je het kon vinden.

Voor een archief wat zich met audiovisuele media bezig houdt, hebben archieven die voornamelijk papier bestaan, weinig prioriteit. Zeker als je weet dat de audiovisuele dragers, zoals filmstroken, gesneden platen en ampexbanden letterlijk uit elkaar beginnen te vallen. Binnen het omvangrijke digitaliseringsproject en de noodzakelijke reorganisatie na afronding daarvan, is het begrijpelijk dat papier kan wachten. Begrijpelijk, ja. Frustrerend? Ja, dat ook. Ik ben op de bijeenkomst van Stichting Designgeschiedenis wat dieper ingegaan op mijn frustraties en de onmogelijkheid om samen te werken met een instituut in transitie maar besloot de lezing toch niet te te publiceren. Het is oud zeer en ik denk niet dat mijn persoonlijke conclusies zinvol zijn in de context van de problematiek waar Stichting Designgeschiedenis en het Speculatief Design Archief aandacht voor vragen.

Naar aanleiding van de bijeenkomst op 30 november heeft Stichting Designgeschiedenis opmerkingen en aanbevelingen geformuleerd. Deze zijn opgenomen in een brief naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Raad voor Cultuur die namens een bredere lobby waarin de Beroepsorganisatie Nederlands Ontwerpers het voortouw nam. De minister heeft inmiddels gereageerd op die brief. Het Nieuwe Instituut krijgt de opdracht de situatie te inventariseren en een actieplan te formuleren.

Op 7 maart organiseerde ook Platform Scenografie een bijeenkomst naar aanleiding van het Speculatief Design Archief. Want in de theaterwereld is de situatie eveneens suboptimaal. Theater Instituut Nederland moest in 2013 de deuren sluiten. De collectie leidt nu een sluimerend bestaan bij het Allard Pierson Museum van de Universiteit van Amsterdam (voorheen Bijzondere Collecties).

Platform Scenografie bracht mensen samen die op verschillende manieren bezig zijn met het erfgoed van het Nederlands theater. Floris van Guntelaar vertelde over zijn initiatief Scenografen.nl waar scenografen zelf hun (digitale/gedigitaliseerde) archief onder kunnen brengen. Ook Hans van Keulen, conservator van de Theatercollectie vertelde over wat er na de opheffing van het TiN gebeurde met de collectie en wat de plannen voor de toekomst zijn. (Mocht je de Theatercollectie overigens een warm hart toedragen, wijs ik je graag op de mogelijkheid om vriend te worden van de Theatercollectie.) Ikzelf vertelde natuurlijk over Vorm van vermaak en mijn pogingen om decorontwerparchieven zichtbaar te maken.

Het is hoopvol dat beide initiatieven met succes aandacht voor de staat van vormgevingsarchieven vragen. Ik ben daarnaast blij dat decorontwerp, zowel bij de wat meer ‘grafische lobby’ (BNO, HNI en Stichting Designgeschiedenis) als ook de ‘theaterwereld’ niet vergeten wordt.

Meer lezen bij Designgeschiedenis.nl:

Meer lezen bij Het Nieuwe Instituut: