Terugkijken naar Dorus van der Linden (1942-2020)

Op 13 augustus is Dorus van der Linden overleden in zijn woonplaats Hilversum. Dorus is bekend als één van de beste decorontwerpers/production designers voor Nederlands televisiedrama, kinderprogramma’s en speelfilms als Het meisje met het rode haar (Ben Verbong, 1981), De smaak van water (Orlow Seunke, 1982) en De aanslag (Fons Rademakers, 1986). Dorus was bijzonder toegewijd aan zijn regisseurs, zijn producties, aan zijn vak en had een uitgesproken mening over de wijze waarop dat uitgeoefend zou moeten worden. Een terugblik op zijn werkzame leven als decorontwerper is daarmee nauw verweven met de geschiedenis van de NTS/NOS afdeling Decorontwerp waar hij 25 jaar werkte en korte tijd leiding aan gaf.

Met een omvangrijk oeuvre valt het niet mee een overzicht te schrijven wat Dorus recht doet. Te meer omdat ik tijdens het schrijven merk hoe hij over mijn schouder meekijkt. Toen Freek Biesiot en ik van start gingen met het onderzoeksproject naar de voormalige afdeling Decorontwerp, was Dorus een van de eerste op het lijstje mensen waar ik maar snel kennis mee moest maken. Ik ben blij dat ik dat gelijk heb gedaan, want aan Dorus had ik niet alleen een mooie bron aan verhalen over films en tv-producties gevonden, als ook een enthousiaste en betrokken bijdrager aan het onderzoeksproject. Hij las en zag alles wat ik op de website of de Beeldengeluidwiki.nl publiceerde en mailde regelmatig vragen, toevoegingen en de nodige correcties uiteraard. ‘Lastig clubje die ontwerpers, hè’ voegde hij dan met een knipoog aan zo’n mailtje toe. Kortom, het lijkt me goed om hier vooral Dorus zélf aan het woord te laten over de regisseurs en producties waar hij bijzondere herinneringen aan had, zijn toewijding aan zijn producties, zijn ideeën over het vak en het productieproces, de verschillen tussen film en tv, en de niet eerder gepubliceerde vrolijke anekdotes en onthullingen te delen. Hiervoor putte ik uit verhalen en reacties die hij me op de afgelopen jaren toestuurde. Via de lees-verder-links kun je zijn al eerder gepubliceerde verhalen lezen.

Van boekomslag naar het ‘hondenhok’

Dorus is van oorsprong opgeleid als en ook enkele jaren werkzaam geweest als grafisch ontwerper en illustrator. In eerste instantie probeert hij een tijdje om als boekomslagontwerper aan het werk te komen. Hij gaat met zijn mapje werk op pad, onder andere naar de boekenbeurs in Antwerpen waar hij vervolgens zo’n twee jaar als freelancer werkt. Hij vestigt zich later in Nijmegen en omdat hij wil trouwen gaat hij op zoek naar een vaste betrekking. Hij reageert op een advertentie van de NTS en denkend dat ze opzoek zijn naar een grafisch ontwerper stapt hij het Hilversumse kantoor binnen. Maar bij de NTS zitten ze vooral te springen om decorontwerpers, een vak waar in Nederland op dat moment geen opleiding voor is. Dorus had als illustrator een hele eigen, uitgesproken stijl ontwikkeld en het is een van zijn etsen; een panoramisch theater-achtige tafereel met overal kleine scènes, figuranten, doorkijkjes, nisjes en balkonnetjes, waar chef Peter Zwart op aanslaat. In deze tweedimensionale ets ziet hij iemand die ruimtelijk kan denken, hij ziet een decorontwerper in de dop.

In 1965 wordt de dan 23-jarige Dorus aangenomen als decorontwerper bij de Nederlandse Televisie Stichting (NTS). Met Massimo Götz als leermeester is het de bedoeling dat hij het vak leert bij de kinderprogramma’s. Het idee is dat het de kijkertjes niet zo op zal vallen als het decor misschien een keer wat minder is, maar tegelijkertijd worden er voor de kinderprogramma’s de gekste decors bedacht, die natuurlijk niet al te veel mogen kosten. Het vraagt dus veel fantasie en vindingrijkheid van aanstormende ontwerpers. Voor Dorus zijn de kinderprogramma’s -“het kleine drama”- meer dan een opstapje, het wordt een van de genres waar hij in uit zal gaan blinken.

Dat betekent overigens niet dat Dorus nooit een decor voor een showprogramma of een actualiteitenrubriek ontwerpt. De decorontwerpers van de NTS moeten immers álle publieke televisieuitzendingen van decor voorzien, en dat betekent dat alle programmagenres tot het takenpakket behoren. Maar als het kan wordt er wel rekening gehouden met individuele voorkeuren en kwaliteiten. Andersom kunnen ook omroepverenigingen en regisseurs een decorontwerper aanvragen. Dorus werkte bijvoorbeeld nooit voor de EO en de TROS, wél veel voor VARA en de VPRO. Met een aantal regisseurs en programmamakers is de persoonlijke verbondenheid heel groot; Annemarie Prins, Sonja Barend, Frans Boelen en Kees van Iersel waren regisseurs/televisiemakers met wie hij het vaakst en liefst had gewerkt vertelde mij hij me toen we elkaar voor het eerst spraken (18 september 2014).

Van papier naar ruimtelijk ontwerpen voor het kleine zwart-witte televisieschermpje is een grote stap die Dorus overbrugt door een aantal malen ‘getekende decors’ te ontwerpen. Zo’n niet-naturalistisch decor is niet per se iets waar alle programmamakers voor open staan en bij elk soort productie daadwerkelijk goed past. Soms zijn makers enthousiast, soms gaat Dorus anders te werk. Dit schreef hij over de totstandkoming van het decor voor De Inca van Perusalem (11-1-1968, VARA):

Voor deze dramaproductie had ik tekeningen van het decor gemaakt, zoals ik dat wel vaker deed, gedetailleerd gearceerd, met een tekenpennetje. Regisseur Ton Lensink was content met het resultaat maar ikzelf niet echt. Wat heb ik toen gedaan? (Ik schaam me er eigenlijk nog voor.) Ik heb de tekeningen en arceringen door de fotodienst laten ‘opblazen’ en alle oppervlaktes in het decor ermee beplakt. Er stond dus een uitvergrote tekening van mij in de studio waarin geacteerd kon worden. Ton Lensink kwam, nietsvermoedend, de studio in en stond perplex. Een beetje vals zei ik: “dit heb ik je toch laten zien.” Ik weet het, dit had zo niet gemogen. Maar… Ton Lensink (en ik) waren blij met het resultaat. Het lucht me wel op deze bekentenis nu te hebben gedaan.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, e-mail 2014

Maar, illustratie heeft bij decorontwerp doorgaans een heel andere, ondergeschikte functie leert Dorus al snel.

Tekeningen waren belangrijk om de regisseur te overtuigen van je plannen, om de ontwerpassistent duidelijk te maken hoe de details van het decor moesten worden uitgewerkt en om de decoruitvoering over het te bouwen decor te informeren. Het waren “praat-tekeningen”, communicatiemiddelen.

Ik merkte al gauw, toen ik bij de NTS kwam werken, dat de schetsen van de daar toen werkende decorontwerpers, hoe mooi en gedetailleerd ook gemaakt, soms weinig leken op het uiteindelijke resultaat wat ik in de studio zag staan. Ik zag dat het maken van een perfecte kleuraquarel geen enkele garantie gaf op een dito decor, nee, als je het daarbij liet kon je er donder op zeggen dat het decor wat uiteindelijk in de studio stond een zeer zwak aftreksel was van wat je zo mooi op papier had gezet. Ik ben sindsdien als decorontwerper altijd van het standpunt uitgegaan dat niet de tékening van het decor het doel was, maar het uiteindelijke decor!

Ik ontdekte dat, wanneer je een plan had voor een decor, je belangrijkste taak als ontwerper was om te redden wat er te redden viel aan je idee. Je voelde vaak de aftakeling van je idee als los zand door je handen gaan en je kon het niet stoppen. Dat ervoer ik als zeer frustrerend. Ik ben toen gaan proberen zelf meer regie op het totale proces te krijgen en het eerste voordeel was dat niet alles uit je handen wegliep maar dat je tijdens het proces nog kon corrigeren. Ik ging (samen met de rekwisiteur) zelf álle spullen in het magazijn uitzoeken, tot in de details wilde ik erbij zijn. Dat was ook de reden dat ik liever werkte met assistent-rekwisiteurs, of zelfs magazijnmedewerkers, dan met de hoger gekwalificeerde rekwisiteurs, die zich al gauw beknot voelden in hun verantwoordelijkheid. Ook bij decorbouw zat ik er bovenop. Sommige decoruitvoerders, zoals Willem de Leeuw konden mijn inbreng in het bouwproces appreciëren en moedigde dat zelfs ook aan.

Dorus, ‘Veranderingen in het ontwerpproces tijdens mijn periode als decorontwerper’ 2014

Lees verder
Herinneringen aan Jaap Binnerts & De kleine waarheid

Lees verder
Achter het nieuws

Lees verder
Trucage

Totaaltelevisie met Annemarie Prins

Zeer bepalend in het vormen van zijn opvattingen over het vak was de samenwerking met regisseur Annemarie Prins. Prins genoot in avant-gardistische kringen succes door haar experimentele theatervoorstellingen met interactieve, licht-, geluids- en filmeffecten. Het was voor haar een logische stap om de televisie-regiecursus bij Opleidingsinstituut Santbergen te gaan volgen. De cursisten rondden hun opleiding af met een echte -maar niet uitgezonden- televisieproductie zodat ze ook bekend raakten met de zogeheten productiegang, een schema van vaste besprekingen en arbeidsverdeling die ervoor zorgde dat alle bij het NOS facilitair bedrijf binnenkomende programma-ideeën van de omroepverenigingen binnen vijf weken resulteerde in een opname. Prins krijgt voor haar eindproductie Dorus als decorontwerper toegewezen. Het is 1970 en Dorus is dan een jaar of vijf decorontwerper.

Annemarie wilde een gedeelte van De zeven doodzonden van Brecht voor televisie bewerken, gezongen door Nelly Frijda en op muziek gezet door Willem Breuker. Jaap Drupsteen was als grafisch ontwerper aangewezen en vanaf het begin heeft hij de totaal-vormgeving in een grafisch kader geplaatst. Anne Marie bracht ook als vormgever de fotograaf Bruce Grey in en samen met hem heb ik veel fotografische beelden gemaakt en verwerkt. Anne Marie vond dat naast de grafische vorm ook een meer dramatische vorm ingebracht moest worden en dat was meer mijn terrein. Uiteindelijk gaan deze twee vormen, ogenschijnlijk heel verschillend, toch heel goed samen. Het één versterkt zelfs het andere. Omdat het hoofd van Nelly Frijda heel strak in het grafische kader van Jaap Drupsteen moest passen hebben we, om haar hoofd stil te houden, het met een lijmklem vastgezet aan een lichtstatief (sorry nog Nel!).

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

De zeven doodzonden van de kleine burgerman wordt een opvallend, avant-gardistisch televisiestuk. Het afstudeerwerk wordt opgepikt door de VPRO en bewerkt tot een volledig uitte zenden versie (28-01-1971), die bij critici zeer in de smaak valt en tot een van de hoogtepunten uit de Nederlandse televisiegeschiedenis gerekend mag worden. De eindproductie van Annemarie Prins doorbreekt niet alleen inhoudelijke en artistieke barrières, ze stelt ook de productiegang ter discussie. Ze vraagt beeld-, licht- en geluidstechnici, cameramensen, ontwerpers en de cast om de grenzen van hun eigen vakgebied op te zoeken, mee te denken over de uitdagingen van de andere vakgebieden, geeft ze inspraak en stimuleert daarmee een groot gevoel van gezamenlijke verantwoordelijk voor het eindproduct.

De volgende VPRO-productie van Prins, De legende van de geliefde van de machinist (6-5-1971, VPRO) gaat nog een stap verder. Hier zijn alle leden van cast en crew vanaf het prille begin bij betrokken en het doel is dat alle disciplines een even groot aandeel krijgen in de productie; totaaltelevisie moet het worden. Verslaggevers van het NOS-programma Video maken een reportage (7-2-1971) over deze nieuwe manier van televisiemaken. We zien naast Prins en actrice Naomi Duveen zo’n twaalf crewleden op het podium zitten, allen met aantekeningen, plattegronden en schema’s voor zich. We zien een stukje van een doorloop van een scène en zijn getuige van een groepsdiscussie over het gebruik van een bepaald type lens. Dorus wordt gevraagd of het decor nu heel anders is. “Nee” zegt hij; “het decor is helemaal niet zo anders, het andere is, dat ik als decorontwerper betrokken ben geweest bij de totale vormgeving van het beeld zelf, los van het decor. En het unieke is dat we daaraan vanaf het begin, vanaf de basis, zonder dat er een gegeven was, aan hebben mogen werken.”

Het spreekt voor zich dat zo’n manier van produceren veel meer tijd vraagt dan in de reguliere productiegang beschikbaar is. In plaats van de voorgeschreven vijf weken, duurt het productieproces van De legende van de geliefde van de machinist bijna een half jaar. De NOS is coulant en komt Prins iets tegemoet, maar het zijn vooral de crewleden die uit eigen beweging vrije tijd opofferen en overuren maken om erbij te zijn. Prins weet dat ze veel van hen vraagt, aan de Video-verslaggever legt ze uit: “Het is nu een kwestie van liefdadigheid, (…) het is heel hard werken en dat is wel onrechtvaardig.” Ze vraagt veel van haar crewleden, maar die krijgen er ook iets voor terug. Haar nieuwe manier van werken wordt door de meeste betrokkenen als bijzonder bevredigend ervaren. Zo verzamelt ze een vaste groep makers om haar heen waar Dorus er een van is. De volgende collectieve productie is Woyzeck (4-5-1972, VPRO).

Walter Barten en ik werkten samen aan de vormgeving, Jaap Drupsteen was er in het begin ook weer bij betrokken. Bruce Grey speelde Woyzeck. Ik had met Anne Marie afgesproken dat ik een grote “moederfiguur” zou laten maken waar een baby uit geboren kon worden, waar Woyzeck bij in de schoot kon liggen en waaruit verschillende dingen uit de schoot naar boven konden komen, zoals een plateau met brandende kaarsen enzo. Toen Anne Marie de studio binnenkwam en de (écht) enorme vrouw zag riep ze: “mijn god”! Shireen Strooker moest met een ladder in de pop klimmen maar het was een monumentaal effect! Walter Barten en ik heb verschillende schuimplastic maskers gemaakt om figuren te vormen of te misvormen. Deze productie was veel “vleselijker” dan De zeven doodzonden…

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Na Woyzeck volgt nog Roerig Amsterdam (VPRO, 15 en 22-1-1973) en in 1975 komt Prins met het plan voor de KRO een liedjesprogramma te maken met Dorien van de Klei getiteld Oh was ik maar nooit getrouwd (23-12-1975). De liedjes reflecteren vanuit het perspectief van huisvrouwen en feministen op emancipatie, de veranderende seksuele moraal, het afbrokkelende instituut huwelijk. Een omwenteling waar privé Dorus middenin zit. In 1965 had hij een vaste baan gezocht omdat “omdat schoonvaders hun dochter in die tijd alleen wilden afstaan aan jongemannen met vast werk.” Hij was vervolgens keurig getrouwd, een huisje en twee kinderen gekregen. Maar Dorus vindt op de afdeling een nieuwe liefde in Els van Eeden die eerst als stenotypiste en later als secretaresse van chef Decorontwerp Jan van der Does werkt.

De titel: Oh was ik maar nooit getrouwd, beviel me in die tijd wel! Wat de vormgeving betreft wilde ik alles wat naar kitsch riekt wel een kans geven. Ik heb toen zelf op de maquette-afdeling een aantal ruimtelijke achtergronden gemaakt die via de chroma key ook als een soort decor-achtergronden zijn gebruikt. Ik beschouw dit project niet als het beste in de samenwerking met Anne Marie Prins, maar toch wilde men bij de KRO wel een vervolg met Adéle Bloemendaal. Dat is er jammer genoeg nooit gekomen.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

De tijden zijn veranderd, maar televisie loopt wat dat betreft nog wel achter op theater en film. Wat in theater niet meer zo schokkend is, bleef op de televisie nog lang voor veel controverse zorgen. Zo had Dorus in 1968 voor de Santbergen-eindproductie van Nick van den Boezem (The basement) decor ontworpen. In het stuk – wat niet uitgezonden is – vond een sekscène plaats die voor die tijd nogal ver ging. Dorus: “Dat ging als een lopend vuurtje door het bedrijf. Later terug op het mediapark werd ik ontboden bij Arie van den Dool [hoofd Dienst Programma Faciliteiten] en Jan van der Does. “Wat gebeurt daar?” Ik liet me niet van de wijs brengen. Van den Dool stuurde een brief aan de VARA met de strekking: ‘Hier kan ik mijn personeel niet aan blootstellen.'” Het verschil tussen de twee werelden blijkt ook uit Dorus’ anekdotes over de productie van De Antikrist (Roeland Kerbosch 1973) en Fama Combinatoria (Annemarie Prins, prémiere 21-2-1975, Theaterunie).

Affiche Fama Combinatoria, collectie Theater Instituut Nederland

Voor Fama Combinatoria heb ik niet alleen het decor maar ook de kostuums ontworpen. Voor het kostuum van Elsa Leoni wilde ik een groot rose damescorset met balijnen “opleuken” met bontrandjes, glitters en pailletten en ik vroeg haar naar haar corset-maat. Die wist ze niet en ze stelde voor om na de repetities op de Nieuwendijk in Amsterdam een dergelijk corset samen te gaan kopen. Tegen Anne Marie, die zei: “je moet het die jongen niet zo moeilijk maken” zei ze, “Oh Anne Marie, deze jongen heeft me al eerder versierd, hoor!”

En dat was zo. Voor de verfilming van Hip Hip Hip voor de antikrist van Heere Heeresma door Roeland Kerbosch [De Antikrist, 1973], waar Elsa Leoni in speelde. In het scenario stond dat ze in een scène bloot op de toonbank van de snoepwinkel staat, behangen met allerhande soorten snoep. Toen Roeland Kerbosch mij kwam vertellen dat hij verwachtte dat ik deze versieringen zou aanbrengen, sputterde ik tegen, dat ik dat meer een taak vond van de costumière of de grimeur. Dat vond hij niet en ik kon dus aan het werk. Veel kon ik nog, los van het model, voorbereiden d.m.v. snoep-slingers en dergelijke maar uiteindelijk kon ik niet voorkomen dat ik toverballen, dropjes en andere snoepjes met dubbelzijdige tape op dat grote, blote lijf stond te plakken.

Dus voor Fama Combinatoria gaan Elsa en ik op stap naar de lingeriezaak waar Elsa bij het binnengaan van de winkel hardop roept: “Dames, deze jongeman wil graag een corset voor mij kopen!”

Voor deze productie heb ik ook de affiches ontworpen. Er was zo weinig budget dat het in zwart/wit moest en gedrukt bij de stadsdrukkerij van Amsterdam. Om in het saaie affiche toch wat spanning en kleur te krijgen maakte ik van alle ronde vormen in de titel gaten zodat, als ze op andere aanplakbiljetten werden geplakt, de kleur van het onderliggende tóch ook in mijn affiche kwam. Op ramen geplakt waren de gaten doorkijkjes, wat me ook wel een mooi effect leek maar… de affiches moesten worden geplakt door de firma. Publex. En een affiche opplakken met gaten, dat hadden ze nog nooit meegemaakt; de lijm kwam er natuurlijk doorheen, kortom: ze waren er niet erg blij mee!

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Poffers en kinderklompjes

Naast de samenwerking met Annemarie Prins, werkt Dorus ook aan de wat minder avant-gardistische, maar wel veeleisende serie Merijntje Gijzens jeugd van Kees van Iersel (01-01 t/m 19-03-1974, VARA). Kees van Iersel had in de jaren vijftig veel eenakters voor de VARA gemaakt, maar was in 1962 weer teruggekeerd naar het theater. Toen de VARA hem eind 1973 vroeg Merijntje Gijzen te regisseren is hij in de decorhallen gaan rondvragen welke van de nieuwe lichting decorontwerpers hij daarvoor moest hebben.

Kees van Iersel stond uit zijn verleden als regisseur bij TV bekend om de exactheid waarmee hij zijn opnamen voorbereidde denk ik dat daarom mijn naam is genoemd. Ikzelf was er zeer gelukkig mee omdat ik vanwege mijn Roomse achtergrond, mijn ouders welke beiden uit Brabant kwamen en mijn opleiding aan een academie in Brabant heel dicht bij de sfeer van deze serie kwam. Kees van Iersel was zelf van huis uit ook een Brabander. Ik ben me direct gaan oriënteren op met name de kostuums. Mijn grootouders droegen nog ‘poffers’ de traditionele Brabantse boerenmutsen in de klederdracht. Met Robert Bos [NOS kostuumontwerper] ben ik in Staphorst oude stoffen gaan kopen die een firma daar uit Oostenrijk importeerde. In Sint Oedenrode wist ik verschillende klompenmakers waar ik vele paren kinderklompjes heb laten maken.

Op de sets in Brabant, waar veel kerken, pastorieën en begraafplaatsen onder waren, was ik naast ontwerper ook nog ‘n soort ‘cultuur-historisch-rooms-adviseur’ waar door Kees van Iersel dankbaar gebruik van werd gemaakt. Bij deze decors was mijn ontwerpassistent Henk Tilder – een van de beste ontwerpassistenten, die ik mij hiervoor kon wensen! – die ook geregeld dagen in Brabant doorbracht omdat daar door ambachtsscholen bepaalde decoronderdelen, zoals ramen en deuren, werden gemaakt.

De interieurs werden in Hilversum in de studio opgenomen maar voor de laatste aflevering, waarin de familie Gijzen naar Rotterdam is verhuisd, heb ik Kees aangeraden de exterieurs op lokatie, bijvoorbeeld in Dordrecht, te draaien. De VARA had echter financiële redenen om van deze laatste aflevering zowel de in- als de exterieurs in de studio op te nemen. Een groot exterieurdecor van een straat in ‘Rotterdam’ was het gevolg en op de ochtend van de eerste opnamedag, toen de keienleggers het laatste stukje stoep in het zand legden, zag het studiodecor er zo realistisch uit dat het hondje van de rekwisiteur zijn poot tegen de gevel optilde en ertegenaan piste. Hoewel de straat geheel fantasie was hebben later mensen tegen mij gezegd dat ze die straat uit oud-Rotterdam wel herkende… 

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Project Greve

De jaren 1974 en 1975 moeten de drukste en meest stressvolle van Dorus’ carrière zijn geweest. Naast de intensieve producties zoals die van Annemarie Prins en Kees van Iersel, neemt hij ook een aantal managementtaken op zich. Dat is voor een relatief korte tijd, maar wel in de meest roerige periode in de geschiedenis van de afdeling Decorontwerp.

Het NOS facilitair bedrijf is sinds de jaren zestig explosief gegroeid, maar de structuur in hoofdafdelingen en onderafdelingen is sinds 1962 feitelijk niet veranderd. Het is een hiërarchische organisatie waar anciënniteit zwaarder weegt dan kwaliteit. Nieuwe opvattingen over management en organisatie zijn in opkomst en bij de NOS krijgen die voet aan de grond door bemoeienis van adviesbureau Bout. In aanloop naar de reorganisatie komt in 1971 een eind aan de ingewikkelde dubbelpositie van Jan van der Does, die eigenlijk chef van de onderafdeling Decorontwerp is, maar als adjunct, in afwezigheid van Peter Zwart, in feite ook optreedt als chef van de hoofdafdeling Ontwerp. Van der Does wordt nu manager van de Hoofdafdeling Ontwerp.

De organsisatieadviseurs van Bout delen het bedrijf op in ringen (cq vakgroepen) en uit elke ring wordt een ‘primus inter paris’ aangesteld als ‘ringleider’ of vakgroepbegeleider. In plaats van een nieuwe chef voor de onderafdeling Decorontwerp krijgen de decorontwerpers drie vakgroepbegeleiders; Dorus voor drama- en kinderprogramma’s, Roland de Groot voor amusementsprogramma’s en Freek Biesiot is verantwoordelijk voor vakontwikkeling. Roland bedankt al snel voor de eer en daarmee is Dorus in feite vakgroepbegeleider decorontwerp. Als vakgroepbegeleider heeft Dorus de taak om de binnenkomende programma’s te verdelen. Dorus: “Het standpunt van Van der Does was: ik heb dertig ontwerpers die allemaal even goed zijn en zo verdeelde hij de programma’s. Dat vond ik een probleem. De oude garde kreeg dan een heel modern stuk waar ze niets mee hadden, terwijl de jongeren van dat soort opdrachten gingen watertanden.” In die zin lijkt de reorganisatie een verbetering.

Maar de invoering van het ringensysteem heeft nogal ingrijpende consequenties voor de NOS productiegang. Als elke onderafdeling en elk decoratelier een ringleider krijgt en alle ringleiders op meer of meer gelijke voet met elkaar staan, valt de centrale aansturing weg. Wie doet de coördinatie en wie heeft de eindverantwoordelijkheid? De decorontwerpers vinden het een onwerkbaar systeem. Dorus legt uit waarom:

Toen ik als ontwerper bij de NTS kwam werken werd het decor wat moest worden gebouwd ‘aangenomen’ door de decoruitvoerder zoals Cas van Trommelen, Teus Gortemulder of Hans Mellegers. Deze decoruitvoerders besteedden gedeelten van het decor uit aan specialisten binnen de NTS, zoals de machinale houtbewerking, de metaalafdeling of de decoratieafdeling. Wanneer zich problemen voordeden kwam de decoruitvoerder zelf terug bij de ontwerper om in overleg tot een oplossing te komen.

Met, wat ik de ‘grote-democratieseringsgolf’ noem, kwamen alle vakgebieden zelf naar de decorontwerpbespreking om voor hun eigen ‘portie’ een manuren- en materiaalbegroting te maken (en niet zelden om hun ‘portie’ te proberen door te schuiven naar een ander vakgebied). Mijn mening is dat je, zoals je een slager niet zijn eigen vlees laat keuren, je een schilder, timmerman of smid niet zelf laat bepalen hoe lang hij over een klus wenst te doen. Een architect gaat toch ook niet met een metselaar overleggen hoe lang hij over een muurtje doet.

Een collega kwam een keer in de bouwhal om te melden dat, op verzoek van de regisseur, een deur in het decor een andere draairichting moest krijgen, dat was bij de repetities duidelijk geworden. Het antwoord van de timmerman was: ‘dan zul je mij toch eerst daarvan moeten overtuigen’ en dat gaat toch echt te ver!

Dorus van der Linden ‘Decorproductie n.a.v. interview HP’ 2014

Terwijl de decorontwerpers hun onvrede over deze weeffout in het ringensysteem aankaarten, ontdekken ze dat het niet de bedoeling is dat democratiseringsgolf hoger dan de werkvloer komt. Het lukt ze niet om inspraak te krijgen in de reorganisatie en ze zijn teleurgesteld over het gebrek aan inspraak in het reilen en zeilen van hun eigen afdeling. Jan van der Does slaagt er volgens de decorontwerpers niet in hun belangen te verdedigen en is bovendien zonder inspraak van de ontwerpers benoemd. De gemoederen lopen hoog op en Van der Does voelt zich begin 1975 genoodzaakt om zijn functie neer te leggen. Dorus volgt hem op als Manager Ontwerp, samen met Frans van der Aa die kort daarvoor is aangesteld als vakgroepbegeleider van de onderafdeling Grafisch Ontwerp. Daarbij is Dorus ook nog steeds vakgroepbegeleider decorontwerp én decorontwerper. En met het aftreden van Van der Does is het doel van de ontwerpers nog niet bereikt.

De Telegraaf krijgt lucht van de crisis tussen decorontwerp en decoruitvoering en publiceert er op 9 maart 1974 over. Het artikel tekent van anonieme bronnen op dat “ontwerpers smijten en schieten uit opgekropte agressie”, dat het Decorcentrum een “stuurloos schip” is en dat de reorganisatie van Bout ze “de bout kan hachelen.” Aan Dorus de schone taak dit brandje te blussen, want op dat moment zijn juist constructieve stappen gezet. Dorus, Frans van der Aa en enkele andere ontwerpers zijn in gesprek met twee NOS-bestuursleden; A. van den Bos en Henny Greve. In het daaruit ontstane ‘Project Greve’ gaan de ontwerpers een eigen visie op de productiegang ontwikkelen. Bovendien is er een belangrijke toezegging gedaan, namelijk dat er geen nieuwe organisatorische veranderingen doorgevoerd kunnen worden zonder goedkeuring van projectleider Greve.

Hoewel het terugdraaien van het ringenssyteem niet zal slagen, legt ‘project Greve’ wel de kiem voor een democratisering van de Hoofdafdeling Ontwerp. Wensen van de ontwerpers, zoals; meer inspraak in de verdeling van opdrachten; een objectief systeem voor het beoordelen van functioneren; en het koppelen van salaris aan functioneren (in plaats van anciënniteit) worden in ‘project Greve’ verder uitgewerkt en zullen de jaren daarna ingevoerd worden. Maar niet onder leiding van Dorus.

Dorus: “Het managen vond ik prima als het over de afdeling ging, maar verder. Steeds weer vergaderen, stafvergaderingen met Van den Dool en Van der Aa, dat vrat tijd. Ik wilde liever ontwerpen. Bovendien had ik privé-problemen [de scheiding van zijn eerste vrouw], dus toen wilde ik graag stoppen.” Freek Biesiot wordt eind 1975 door de decorontwerpers gekozen om Dorus als chef Decorontwerp op te volgen, Frans van der Aa neemt de functie van Manager Ontwerp op zich. Toch zal Dorus altijd een belangrijke rol blijven spelen in de afdeling. Uit ‘project Greve’ ontstaat de zogeheten Programma Verdeel Commissie (PVC). Naast het verdelen van de binnenkomende opdrachten, beoordeelt de PVC jaarlijks het functioneren van de decorontwerpers. De leden worden door de ontwerpgroep per stemming gekozen, met de bedoeling dat de samenstelling regelmatig wisselt en iedereen een kans zou kunnen krijgen in de PVC te komen. In de praktijk worden veelal dezelfde ontwerpers verkozen. Dorus was een van de steeds herkozen leden van de PVC, een teken dat zijn collega’s hem niet alleen vertrouwden, maar ook zijn professionele oordeel hoog hadden zitten.

Het lampje van Hannie Schaft

De eerste speelfilm waar Dorus aan werkt is De antikrist (1973) van Roeland Kerbosch, helaas een flop. Daarna volgt succes met Het meisje met het rode haar (1981) van Ben Verbong. Dorus had al eerder de art direction gedaan voor Verbong’s korte films De Vitusdans (1974?) en De verleiding (1978). Het meisje met het rode haar is voor beide de eerste grote bioscoopfilm en voor Dorus een kennismaking met een andere manier van werken.

Het werken met een professionele filmploeg was duidelijk anders dan het werken voor televisie. Elk shot werd opnieuw uitgelicht en de detaillering was door het grote filmbeeld veel belangrijker. In het kamertje van Hannie Schaft stond een klein lampje met gekleurd glas uit de rekwisietenfundus van de NOS. Hans Kemna, de castingdirector, die hierbij ook als opnameleider werkte, wees mij op het belang van dat lampje. Wanneer mensen die gekleurde lichtjes zien weten ze meteen, we zijn nu op de kamer van Hannie Schaft. Maar… stel dat dat lampje binnenkort in bijvoorbeeld de Barend Servetshow aan barrels gaat, wat dan…. ‘Dat lampje is voor onze film onvervangbaar!’ Zo had ik er tot die tijd nooit over nagedacht. Ik heb het lampje tot aan het eind van de productie in mijn eigen auto bewaard en vervoerd.

Deze, en andere wetten van de film, werden mij al werkend duidelijk. Ook moest ik ineens, na zoveel jaar samenwerking met NTS/NOS decorproduktie, werken met een freelance decorbouwer, Willem de Leeuw, een oud circus-trapeze-werker uit het circus van Boltini die met een bus met decormaterialen mee-reisde met de productie. Maar: wat kon de man? Kon hij ook sfeermaken cq decoreren? De voorbouw van decors, waar in Hilversum bouwhallen en toeleveringsafdelingen voor klaar stonden gebeurde in Laren in zijn garage. Het gaf veel onzekerheid (en hij had ook grote reserves t.a.v. die ‘art director’ van de TV) maar gaandeweg raakten we op elkaar ingespeeld en hebben we bij veel speelfilms en tv-programma’s heel goed samengewerkt.

Op de afdeling decorontwerp werd mijn samenwerking met Willem de Leeuw eerst gezien als ‘niet solidair zijn met de decorbouw van de NOS’ maar toen meer collega’s aan filmproducties gingen werken hoorde ik dat ook anderen met hem samenwerkten. Groot voordeel was: hij was als het nodig was dag en nacht beschikbaar en ook betrouwbaar, waar ik bij de NOS nog wel ‘ns hoorde: “ja, maar ik moet eerst m’n kinderen naar zwemmen brengen”, of zoiets. Ik had dan toch iets van: misschien moet je dan ‘n ander vak kiezen. Aan een speelfilm werken, zeg ik altijd, vraagt afscheid nemen van je geregelde leven en dan, na de productie, thuis maar weer gaan kennismaken. 

In Aerdenhout had ik bij een lokatie een bushalte met ‘huisje’ laten bouwen. Toen de crew ging koffiedrinken heb ik samen met mijn decorbouwer het bushuisje ‘even onder handen genomen’ zodat het er gebruikt en verweerd uitzag. Toen we later terugkwamen stonden er in het huisje mensen op de bus te wachten, die nooit zou komen.

Omdat ik verschillende ‘oorlogsrekwisieten’ nodig had die niet in de NOS-rekwisieten fundus te vinden waren heb ik op de NCRV-radio een oproep mogen doen of mensen die deze spullen nog op zolder hadden, ze beschikbaar wilden stellen en ik heb een groot aantal reacties op deze oproep gehad. Oorlogssigaretten, surrogaten, knijpkatten, persoonsbewijzen, kranten, etc. kwamen binnen.

Al bij de première van Het meisje met het rode haar kreeg ik complimenten voor de art direction maar… “die telefooncel op het station van Haarlem kon toch echt niet!”  Nou had ik heel zorgvuldig door mijn assistent laten uitzoeken of de grijze telefooncel met de blauwe tekst ‘telefoon’ in het lettertype Futura daar had kunnen staan tijdens de tweede wereldoorlog en het antwoord was door het PTT museum bevestigd; deze cellen waren toen al in gebruik. Nu hebben mensen vaak het idee dat het gras in de Tweede Wereldoorlog niet écht groen was en bij Het meisje met het rode haar was dat idee nog versterkt omdat de film ‘ontkleurd’ is in het laboratorium. Die telefooncel bleef me achtervolgen en ik verdedigde mij daar steeds tegen met het argument dat hij er echt had kunnen staan. Later heb ik mij gerealiseerd dat wanneer zoveel mensen het ongeloofwaardig vinden, ik deze telefooncel had moeten weghalen of camoufleren. Veel meubelen die ver vóór 1940 zijn ontworpen zouden door het publiek niet worden geaccepteerd in een inrichting uit die tijd!

Deze eerste filmpremière was voor mij een belevenis, zoals de projectie van, ook jouw werk, op dat grote doek! Nu zag je dat die detaillering nut had. Weer ‘ns wat anders dan die kleine beelden op het ‘het hondenhok’.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014
De telefooncel waar Dorus altijd vragen over kreeg in Het meisje met het rode haar.

De smaak van water

Dat televisie decorontwerpers ingang kregen in de Nederlandse filmwereld ontstond door een regeling ter bevordering van de speelfilmproductie. Omroepen traden op als co-producent van Nederlandse films, zij leverden in ruil voor uitzendrechten een deel van het budget, deels in natura door diensten van henzelf of uit hun contingent bij het NOS facilitair bedrijf te verzorgen. Decorbouw, rekwisieten en artdirection/production design1 door een van de NOS-decorontwerpers kon onderdeel van zo’n deal zijn. Dat wekte ergens wel de indruk dat de decorontwerpers ‘opgedrongen’ werden aan regisseurs en dat gaf Dorus het gevoel zich extra te moeten bewijzen. Daarnaast waren film en televisie twee heel verschillende werelden. Over de samenwerking met de jonge filmregisseur Orlow Seunke schreef Dorus: “Orlow had, zoals héél veel mensen uit de filmwereld, een grote achterdocht ten aanzien van mensen uit ‘het Hilversumse’. Werken bij de televisie was daar geen aanbeveling!”

Door Dorus’ aandacht voor details – hij vraagt bijvoorbeeld de toneelmeester te overnachten in het ‘decor’ zodat het bed er beslapen uitziet – weet hij het vertrouwen van Seunke te winnen en ze werken na enkele afleveringen van Pim met.., en korte films als Prettig weekend mijnheer Meyer (1977), Met voorbedachte rade (1978) ook samen aan Seunkes eerste speelfilm; De smaak van water (1982). Dorus besmeurt de kast waar Anna, gespeeld door Dorijn Curvers, in opgesloten zit een week lang met etensresten uit de NOS kantine. Het resultaat is zo smerig dat Curvers uit voorzorg een tetanus-injectie krijgt. Dorus beschouwde De smaak van water als “de mooiste en meest indringende film” waaraan hij heeft mogen meewerken.

mammillaria magnimamma

Na twee geslaagde films – De smaak van water krijgt de prijs van de Nederlandse Filmkritiek en het Het meisje van met het rode haar ontvangt dezelfde eer het jaar erna – doet Dorus in de jaren tachtig gemiddeld één film per jaar. Terwijl de filmwereld de televisiedecorontwerpers als Dorus in eerste instantie argwanend verwelkomt, ontleent de afdeling decorontwerp -en daarmee het hele NOS facilitair bedrijf- er juist aanzien mee. En dat is in aanloop naar de privatisering in 1988 een interessante troef die publicitair uitgebuit wordt, zoals in onderstaande advertentie tijdens de Nederlandse Filmdagen van 1987 (of 1988). Dorus is verantwoordelijk voor bijna de helft van de genoemde titels.

Dorus stuurde me een aantal anecdotes op over deze films. Meestal spreekt uit die herinneringen zijn enorme betrokkenheid bij het grote plaatje als ook de kleinste details. Een voorbeeld: ontevreden over de prestaties van de mensen van het NOS atelier Groendecoratier, volgt Dorus een cursus vakbekwaamheid bloemschikken. “Met dat diploma op zak kon ik weerwoord geven wanneer een bloemist bijvoorbeeld mammillaria magnimamma in mijn decor wilde neerzetten.” Die mate van controle is misschien niet voor elke film van toepassing, maar doorgaans werkt Dorus met mensen die dat wel op prijs stellen, zoals Jan Wolkers die hij bij de opnames voor Brandende liefde (Ate de Jong, 1983) ontmoet.

De meeste opnamen voor Brandende liefde werden gemaakt in een monumentale leegstaande villa in Amsterdam met de tuin grenzend aan het Vondelpark. Het in stijl meubileren van dit grote huis kon eigenlijk alleen met medewerking van de rekwisietenafdeling van de NOS omdat daar een grote voorraad antieke en klassieke meubelen voorhanden was. Verhuiswagens vol zijn er aangevoerd en de villa is daarmee prachtig ingericht. De gesprekken met Jan Wolkers, die zich overal mee wilde bemoeien, herinner ik me nog goed. Een lampetkan speelde een rol en Jan wilde zien welke lampetkan we daarvoor wilden gebruiken. Uit het rekwisietenmagazijn heb ik toen ‘n stuk of tien kannen meegenomen. Jan bekeek ze zorgvuldig, koos er een uit en zei: “de lampetkan die ik bedoel lijkt hier wel ‘n beetje op maar had een gulziger mond”.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Koninklijke première

In 1986 volgt de grootste film in Dorus’ carrière; De aanslag van Fons Rademakers, een verfilming van de gelijknamige roman van Harry Mulisch. Het is in meerdere opzichten een groots project. De pers volgt de voorbereidingen en opnames intensief, alle betrokkenen gaan tot het uiterste en kosten noch moeite worden gespaard om van de film een succes te maken. De film trekt relatief veel bezoekers in Nederland en komt ook in andere landen uit in de bioscoop. Als kers op de taart wint De aanslag de Oscar in de categorie Beste Buitenlandse film (1987).

Productieleider Jos van der Linden (geen familie) had mij aanbevolen en vertelde me dat Fons Rademakers graag met mij wilde kennismaken. Ik werd uitgenodigd langs te komen op de Prinsengracht waar ‘De Rademakers’ woonden als ze niet in Toscane waren. Via de lift ging ik naar boven waar ik werd opgewacht door Dhr. Rademakers. Ik moest toen een soort examentje doen. “Wat zijn uw opvattingen over uw vak en wat vindt u daarin belangrijk? Aan welke producties heeft u zoal gewerkt bij televisie en film? Wat vindt u van het scenario van De aanslag? Heeft u ook het boek gelezen?” Het was een heel formeel gesprek en ik vouvouyeerde keurig. Toen mijn antwoorden hem tevreden stelde stond hij op, gaf me een hand en zei: “Fons is de naam”. Daarmee was ik goedgekeurd en kon ik aan het werk. 

De aanslag was een film waarbij alles mogelijk was. En voor alles wat noodzakelijk was, was ook budget. Na overleg met Harry Mulisch bleek dat er een huis gebouwd moest worden voor de familie Steenwijk, een bestaand huis zoeken kon niet omdat het huis in de film door de Duitsers in brand word gestoken en totaal afbrandt. Harry liet me in Haarlem huizen zien zoals ze hem voor ogen hadden gestaan bij het schrijven van het boek. Maar… het vinden van een geschikte lokatie waar huizen (villa’s) in ongeveer dezelfde stijl stonden met een open plek ertussen om onze decor-villa te bouwen, bleek niet eenvoudig. Zoeken vanuit de lucht werd het uiteindelijk en zo vonden we vanuit een helicopter in Soest een geschikte lokatie. 

Tussen de villa’s was een open stuk waar een Turkse familie een volkstuin had. Deze mensen werden door de productie uitgekocht en het ‘bouwrijp’ maken kon beginnen. Bouwrijp maken betekende in dit geval het ruimen van de volkstuin en het aanleggen van een villatuin met tuinhek. Intussen werd ‘prefab’ als een soort bouwpakket de villa gebouwd van hout en bekleed met steenstrips om een zo realistisch mogelijk effect te bereiken. De bouw werd niet door de NOS zelf gerealiseerd maar uitbesteed aan de Fa. Nagelhout uit Hattum. 

Op de bouwdag kwam een oplegger met een grote kraan om de ‘bouwdoos’ in elkaar te zetten en toen de mensen die ‘s morgens nog langs een tuin fietsten ‘s avonds terug kwamen stond er een villa met gordijnen en al. De werkelijkheidswaarde van het huis was groot, het was alsof het altijd zo was geweest. Ook de gevel van het buurhuis was decor; dit was wél gebouwd door de NOS.

Voor een ‘monument voor de gevallenen’ is een beeld uit Amsterdam Osdorp (twee meter diep) uitgegraven, op een oplegger naar Soest vervoerd en daar weer ingegraven. Op het Malieveld in ‘s Gravenhage is een grote vredesdemonstratie gehouden met massale deelname, dat alles alleen voor de filmopnamen!

Voor een scène van een begrafenis van een verzetsheld (Van Randwijk) in een kerkje in Noord Holland o.l.v. Ds. Okke Jager was weinig decor nodig. Wel waren er ongeveer 10 grafkransen en graftakken met linten nodig waarvan enkelen van forse afmeting, zoals een krans die zogenaamd van de Koningin afkomstig was. Ik heb toen in de nacht voor de opname zelf al het grafwerk verzorgd. Op de ochtend van de opname kwam ik met een (gehuurde) bestelwagen vol met grafkransen en -takken de set oprijden. Zo kon ik de techniek van mijn vakdiploma ‘bloemisterij’ weer even ophalen!

Toen mijn eerste decor in 1964 op televisie kwam liep ik ‘s avonds door donker Bussum, zoekend naar een huiskamer met een televisie. Nu zat ik in de Koninklijke loge van Tuschinski, vlak achter Koningin Beatrix en Prins Claus – ik kon hun reacties horen! – en mocht ik daar de film in première zien gaan. Als ontwerper/art director was dat voor mij toch een mijlpaal.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Hoewel het NOS facilitair bedrijf graag verder wil in de filmwereld, ziet Dorus de toekomst van NOS als commercieel en concurrerend decorbedrijf somber in. In een artikel in de Haagse Post over de productie van De aanslag neemt Dorus bepaald geen blad voor de mond als hij het heeft over de verschillen tussen film en televisie en de problemen met NOS decor.

Dorus voor de achterzijde van het huis van de familie Steenwijk wat afgebrand wordt in De aanslag. Peter van der Klugt ‘De decor-ontwerpers’, Haagse Post, 27 april 1985. Fotograaf: Steye Raviez.

Dit [film] is veel rommeliger. Hier was vanmorgen om tien uur een ombouw gepland maar dat loopt dan uit tot de lunch. Dat zou bij tv niet kunnen. Daar staan om tien uur mensen te wachten om dat changement te doen en dat moet het ook om tien uur gebeuren, want anders gaan ze weer en moet je maar afwachten of ze die dag nog tijd hebben. Ik vind dat een groot nadeel van het werken in een tv-studio. Bij die orkesten van NOS is het nu al zo dat ze om precies kwart over twaalf hun fluit neerleggen want dan is het pauze. Ook al zitten ze midden in een nummer, die zijn dan absoluut niet te bewegen om dat dan even af te maken. Dat vind ik dus verschrikkelijk.

De oorzaak ligt in de periode midden jaren zeventig. De grote democratiseringsgolf die door dit bedrijf [NOS] is gegaan heeft echt onherstelbare schade aangericht. Als ik een decor zit te bespreken, dan zit daar de timmerman bij en de schilder en de smid. Dat kost handenvol geld, die mensen worden uren uit het arbeidsproces gehaald en het is nergens voor nodig, Maar dat heet hier van een verworven recht. Als bij een architectenbureau constant de metselaar over de vloer was zou iedereen erom lachen, maar hier gebeurt het zo.

Iedereen heeft daar [bij tv] zijn eigen vakje, bereidt zijn eigen stukjes voor, schermt het nog af naar buiten, zo van ‘dat is van mij, daar moet je afblijven’, en als het dan in de studio bij elkaar komt, blijkt vaak dat het absoluut niet op elkaar is afgestemd. Op zich hebben mensen dan heel mooie dingen gemaakt, maar het heeft niets met elkaar te maken. Het begint al op de bespreking met die lieden. Je wilt iets en dan zeg je dat het misschien het beste is om het van metaal te maken. En dan zegt die smid dat je het misschien beter van hout kunt maken en de man van de machinale werkplaats vindt juist dat het van metaal moet, dus dan zie je je ontwerp heen en weer door het bedrijf gaan, dat is echt vreselijk. Het is gewoon werk afhouden. Ze hebben er dan geen zin in.

Peter van der Klugt ‘De decor-ontwerpers’, Haagse Post, 27 april 1985

Gebrek aan flexibiliteit en dienstbaarheid aan de productie, de hokjes-mentaliteit en doorgeslagen democratisering van de productiegang, het zijn bekende punten van kritiek. Dorus is weliswaar in dienst bij de NOS, maar gedetacheerd bij een externe productie heeft hij een andere, en vooral in het geval van De aanslag, een veel gunstiger onderhandelingspositie ten opzichte van decorbouw. Zo lukt het hem voor De aanslag zelf de mensen te kiezen met wie hij werkt en hij kan hun arbeidstijd indelen, oftewel, zij zijn voor de hele productie voltijds beschikbaar. Het zijn vergelijkbare wensen als die Annemarie Prins begin jaren zeventig op tafel legde en die blijkbaar telkens opnieuw bevochten moeten worden bij het NOS facilitair bedrijf.

Ik vroeg Dorus naar het HP-artikel, had hij er geen problemen mee gekregen en hoe dacht hij er naderhand over? Dorus schreef terug: “De NOS was er toen al niet blij mee! Toch sta ik nog achter de meeste uitspraken, al wordt een mens wat milder als hij ouder wordt.” Hij benadrukte nog eens dat hij over de inzet en kwaliteiten van de door hemzelf gekozen ‘Bennen’ – decorproductieleider Ben Buys en rekwisiteur Ben Walet – bij De aanslag zeer tevreden was. Hij had vlak na de publicatie van het artikel nog schriftelijke complimenten doorgegeven aan de chef Decorproductie.

Liesbeth en Annechien

Na De aanslag komen de aanvragen voor films binnenstromen. Daarnaast gaat het gewone televisiewerk door. En hoewel Dorus graag overal bovenop zit, kan hij natuurlijk niet alles alleen af. De afdeling Decorontwerp heeft een aantal decorassistenten in vaste dienst, wiens voornaamste taak het is om ontwerptekeningen om te zetten in technische bouw- en werktekeningen waar de decorateliers mee uit de voeten kunnen. Voor grote drama-producties en speelfilms die vaker op bestaande locaties gedraaid worden, zijn andere vaardigheden belangrijker: organiseren, plannen, research doen. Daarvoor worden freelance assistenten ingeschakeld. Dorus werkt vaak met Liesbeth Jimmink, onder meer bij De ratelrat (Wim Verstappen, 1987), Het twensch paradijs (Bram van Erkel, 1988) en De kassière (Ben Verbong, 1989) en televisieproducties als Beppie (AVRO, 1989). En hij werkt vaak samen met Annechien Braak; bij De scorpioen (Ben Verbong, 1984), De aanslag (1986), Iris (Mady Saks 1987) en zij assisteert onder meer bij talkshow Sonja op … (VARA, 1981-1996). Deze – en andere – decorassistenten maken het mogelijk dat Dorus meerdere grotere producties tegelijk kan doen en soms zelfs even op vakantie kan.

Met producent Frans Rasker had ik een deal gesloten. Ik zou de art direction doen van De Ratelrat, een Grijpstra en De Gier-verhaal, geen film waar ik erg naar uitzag (hoewel het wérken met Wim Verstappen weer wel op mijn verlanglijstje stond), maar dan zou ik ook de film Iris mogen doen, wat ik wel erg graag wilde.

Het was in een periode dat ik erg veel filmproducties kreeg aangeboden en omdat ik die zomer ook nog even weg wilde, heb ik met Frans en met regisseur Mady Saks, afgesproken dat ik de hele film qua vormgeving mee op poten zou zetten, de lokaties zou zoeken, de start zou meemaken en dan, gedurende twee weken, het werk op de set zou overlaten aan Annechien. Daarna zou ik bij de tweede helft van de opnames weer aanwezig zijn. Vanuit Lourdes (Fr.) heb ik de hele cast en crew een kaart gestuurd dat ik bij de grot van O.L.Vrouw van Lourdes had gebeden voor een goede afloop. Hoewel het uit handen geven van zo’n project een hachelijke zaak is, wist ik dat Annechien, waarmee ik al bij eerdere films had samengewerkt, de zaken wel aankon.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Primosa

Voorafgaand aan en rond de privatisering van het NOS Facilitair Bedrijf worden de afdeling Decorontwerp flink afgeslankt. Wat oudere ontwerpers gaan met vervroegd pensioen, matig presterende ontwerpers krijgen ontslag aangeboden. De overgebleven decorontwerpers krijgen er een nieuwe taak bij; geld verdienen. Dat was voorheen, met de bestedingsverplichting van de omroepverenigingen bij de NOS, nooit een zorg geweest. Bovendien hadden de chefs Decorontwerp en de Manager Ontwerp altijd zorg gedragen voor goede werkomstandigheden, ze verdedigden hun ontwerpers als conflicten met regisseurs of producenten ontstonden over creatieve inzichten of geld en het onderhandelen over decorbudgetten werd gedaan door de budgetmannen van de omroepverenigingen en technische productieleiders van de NOS. Decorontwerpers konden zich volledig wijden aan het creatieve proces en de uitvoer daarvan. De druk om geld op te verdienen voor het bedrijf terwijl de budgetten als gevolg van de opengestelde markt juist hard naar beneden kelderden, leverde veel decorontwerpers, en zeker degenen die uitblonken in relatief dure genres als drama, een hoop extra zorgen op.

Dorus past zich aan aan de nieuwe omstandigheden, zo lukt het hem om het decor voor de comedyserie Beppie (1989, AVRO) bijna geheel gesponsord te krijgen door een designwinkel, keukenfabrikant en Bloemenbureau Holland. En hij staat open voor nieuwe soorten opdrachtgevers. NOB Decor breidt namelijk de klantenkring verder uit. Men ziet financieel potentieel in bijvoorbeeld standbouw voor beurzen en de recreatiesector. Zo komt het project voor de inrichting van een bezoekerscentrum in Limburg in 1991 op Dorus’ pad.

Vanuit Zuid-Limburg kwam bij het NOB het verzoek binnen een ontwerper beschikbaar te stellen voor een tentoonstelling in een nieuw te bouwen bezoekerscentrum PRIMOSA in Gulpen. De opdrachtgever was het Samenwerkingsverband Heuvelland, een verzameling van Limburgse gemeentes, en de tentoonstelling zou moeten gaan over natuur en cultuur in Zuid-Limburg, een breed onderwerp. Ik werd naar Limburg gestuurd ter oriëntatie en kon bij terugkomst melden dat de opdracht me “wel wat leek”.

Daarna ben ik me in het onderwerp gaan verdiepen want er was geen scenario of opzet voor de tentoonstelling bekend. Wel was er op papier een gebouw, een glazen piramide, waarin de expositie moest worden ondergebracht. Mij werd op het hart gedrukt voor de realisatie van de tentoonstelling toch vooral Limburgse bedrijven uit de regio te benaderen en alleen aan het eind heeft NOB Decor (vooral het decoratie-atelier) nog een aardige inbreng gehad. 

Naarmate de realisatie vorderde werd de opdracht schimmiger; een van de burgemeesters van de gemeentes die in het samenwerkingsverband zaten, was naar Disneyland in Amerika geweest en zei bij terugkeer tegen mij: “zóiets moet het toch worden!” Het ministerie van Landbouw, die het project subsidieerde, wilde dat er geen toegang zou worden geheven. Ik heb mij in een vergadering met het ministerie ingespannen om een lage toegangsdrempel, van bijvoorbeeld twee gulden, te accepteren. In een later stadium werd er een directeur aangesteld, iemand komend van De Efeling en Het land van Ooit, die de tentoonstelling ondergeschikt wilde maken aan computergames en speelautomaten. De toegangsprijs ging naar boven de tien gulden! Nog vóór de officiële opening zaten de ‘aandeelhouders’ (de burgemeesters van de Heuvelland-gemeenten) ‘de buit’ te verdelen. Een faillissement was toen al onvermijdelijk.

Vanuit Hilversum waren de opdrachten aan mij zeer wisselend: “Stoppen met al het werk” en “misschien nog even doorgaan” wisselden elkaar bijna dagelijks af. Een onhoudbare en ondragelijke situatie en direct na de opening ben ik, met een flinke burn out en een gebroken teen (waar iets zwaars overheen was gereden), naar Hilversum teruggekeerd. Liesbeth Jimmink heeft toen in Gulpen de lopende zaken afgehandeld. De schitterende maquettes van kastelen in het Heuvelland, gemaakt door Martien van den Dijssel, hebben een plaats gekregen in de diverse gemeentehuizen. De burgemeester van Gulpen is later wegens fraude en belangenverstrengeling bij dit project uit zijn ambt gezet en veroordeeld.

Deze, op zich mooie opdracht, had voor mij achteraf wel een zéér nare bijsmaak, ook omdat ik me nauwelijks gesteund had gevoeld door mijn chef, noch door het NOB als bedrijf. Kort daarna werd mij, terwijl ik nog ziek thuis was, ontslag aangezegd.

Dorus van der Linden, ‘Verhalen over producties’, 2014

Annechien legde het eerder zo uit: “Het is in de film- en tv-wereld zo dat de medewerkers heel erg loyaal zijn aan een productie. Dat was bij de decorontwerpers zeker het geval. Zij hadden geen privé-leven, ze leefden voor hun werk, gingen altijd tot het uiterste. Het is dan heel erg pijnlijk om er achter te komen dat die loyaliteit van je werkgever – de NOS en de omroepverenigingen – niet wederzijds is.”

Dorus’ loyaliteit en vertrouwen in zijn vergever is ergens ook de reden dat ik hier nu weinig ontwerpschetsen van zijn producties kan laten zien. Dorus: “Ik heb mijn filmproducties altijd gedaan vanuit de NOS, dus niet als snabbel of onder een andere naam, zoals mijn collega’s wel deden. Ik vond dat ik daardoor mijn onafhankelijkheid kon behouden ten opzichte van bijvoorbeeld de producent. Dit heeft wel tot gevolg gehad dat de ontwerpen voor filmproducties, net zoals de tv-ontwerpen, werden opgenomen in de NOS archieven en er weinig in mijn privé-bezit is. Ontwerpers die langer bij het NOB zijn gebleven hebben op het moment dat deze archieven in de containers verdwenen daar nog uit kunnen plunderen, maar ik was toen al ‘aan de deur gezet’ en heb dus niets kunnen redden.”

Bijtekenen

Na het ontluisterende einde van een 25-jarig dienstverband gaat Dorus een jaar ‘bijtekenen’. Het resultaat wordt tentoongesteld in het Grafisch atelier in Hilversum. Toen hij me daarover en over allerlei andere werkzaamheden na 1993 mailde, stuurde hij naast het affiche met een zelfportret, ook een portret van een zuur kijkende man mee. Of deze tekening onderdeel uitmaakte van de expositie en wie het voorstelde vermeldde hij er niet bij, maar uit de woordenbrij op het overhemd te zien maakt de tekening deel uit van de emotionele verwerking van het gedwongen afscheid van het vak waar hij 25 jaar lang zijn ziel en zaligheid in had gestopt.

Het paste denk ik niet bij Dorus’ persoonlijkheid om al te zeer de spotlights op te zoeken en door het pijnlijke einde bij de NOB was terugblikken en contact met voormalig collega’s misschien moeilijk voor hem. Ik was daarom zeer gelukkig met het feit dat hij zo enthousiast bijdroeg aan het onderzoek naar de afdeling waarin hij een van de pijlers was. Dat Dorus ook zo’n belangrijke rol speelde in de Nederlandse filmgeschiedenis wordt uit deze terugblik hoop ik ook duidelijk. Met zijn buitengewone toewijding aan het vak heeft Dorus de kwaliteit van de Nederlandse film en televisie omhoog gestuwd. Dorus bedankt en rust zacht.

1 De terminologie decorontwerper, production designer en artdirector werden in de periode dat Dorus actief was in de Nederlandse tv- en filmindustrie niet consequent en zeker niet altijd volgens het klassieke Amerikaanse systeem gebruikt. In het Amerikaanse systeem bepaalt de production designer samen met de regisseur en de director of photography hoe de film er uit komt te zien. De artdirector valt onder de production designer en stuurt de verschillende art departments aan. Een van de departments is decorontwerp, waarvan de ontwerpers de te bouwen decors ontwerpen. In de kleine Nederlandse filmindustrie kan een production designer ook artdirector én decorontwerper zijn. Hij of zij kon in het verleden daarvoor één, meerdere of een geheel andere credit krijgen, zoals filmarchitect. Bij de Nederlandse televisie geldt dat de decorontwerper in deze periode de drie functies tegelijkertijd vervult en in de regel de credit van decorontwerper krijgt. Bij enkele grotere dramaseries krijgen decorontwerpers vanaf midden jaren tachtig soms de credit van artdirector.

Dorus is dood

13 augustus 2020 is Dorus van der Linden in zijn woonplaats Hilversum overleden. De familie en zijn naasten hebben in kleine kring afscheid genomen op begraafplaats de Bosdrift in Hilversum en hem daar begraven in de natuur, zo meldt de rouwkaart.

Op de voorzijde van de rouwkaart een prachtig zelfportret, want naast een bijzonder gedreven decorontwerper voor televisie en artdirector bij een aantal grote Nederlandse speelfilms, was Dorus ook een geweldige illustrator.

Ik had de eer om hem uitgebreid te spreken over zijn werk en dat leverde schitterende anekdotes waarvan de meeste op de website staan (via deze link te lezen: https://vormvanvermaak.nl/tag/dorus-van-der-linden/). Hij mailde regelmatig als er iets vakmatigs te melden was, als hij een tekening of foto terugvond van een van zijn producties, of wanneer er een collega uit de film of televisiewereld overleed. Het is verdrietig dat het memoriam voor Ed Elting dat Dorus schreef voor op de website, nu opgevolgd zal worden door een IM over hemzelf. Wil je daaraan bijdragen of een herinnering delen; bel, mail of laat hier via de site van je horen.

En aan voormalig collega’s, familie en vrienden van Dorus: gecondoleerd met dit verlies.

Het licht is uit voor Ed Elting

Het licht is veel te vroeg uit gegaan voor Ed Elting. Deze man maakte prachtige leaders, soms met zijn eigen muziek, vaak met licht in de hoofdrol, herkenbaar door een snufje weemoed en subtiele humor. Hij ontwierp overigens ook decors, interieurs, meubels, lampen, grafisch ontwerp, websites. Op 12 april overleed hij in zijn woning in Haarlem. Ed Elting is 54 jaar geworden.

Eltings creatieve loopbaan kent een vliegende start met zijn afstuderen. In 1989 studeert hij cum laude – met vijf tienen – af aan de Minerva academie in Groningen met een multi-disciplinair project getiteld ‘Poems of Decay’. Het Nieuwsblad van het Noorden wijdt een kwart pagina aan het bijzonder project (20-12-1989). Eerst wordt de kamer van Elting beschreven: “Twee groene pilaren naast de deur met daarboven een lichtgevend kunstwerk in een driehoekige vitrine doet denken aan een Griekse tempel, alleen modern weergeven. Zelfgemaakte meubels en de Venus van Milo in een gat in de muur als wanddecoratie. Aan het plafond is een wit doek gespannen. Drie gekleurde TL-buizen daaronder verspreiden een zacht wit licht.”

Elting vertelt aan de verslaggever dat hij zich voor het afstudeerproject liet zich inspireren door de muziek van de Britse groep The Art of Noise, niet omdat de band hem bijzonder interesseerde maar vanwege hun veelzijdige muzikale invloeden en omdat hij er veel disciplines in kwijt kon. Hij stelde een CD samen met bestaande nummers en drie nummers van hemzelf, ontwierp een nieuw logo voor de band, een CD-hoes, een bijbehorend boekje met gedichten, allen verpakt in een gewone en een luxe cadeaubox. Niet genoemd in het artikel maar wel herinnerd door academie-genoot en latere collega bij NOB Design Barbara van Os is nog een videoclip. Van Os figureerde daarin, en poseerde voor een serie polaroids waarin ze steeds iets ouder geschminkt werd.

Floppy disk met net genoeg bites om het logo van het afstudeerproject op te slaan. Bron: Ed Elting Design op Facebook

Het multidisciplinaire afstudeerproject levert Elting een startstipendium van 35.000 gulden op die hij zou gaan gebruiken om Macintosh-apparatuur te kopen en een reis naar te Londen te financieren waar hij onder andere zijn werk aan de band wilde te tonen. Hoe dat afloopt is niet bekend, maar het afstudeerproject leidt in ieder geval tot een mooie baan bij de televisie. Frans Schupp was een van de rijksgecommitteerden bij Minerva die de afstudeerprojecten had beoordeeld en vroeg Elting na afloop: “kom eens een keer iets bij ons doen.” “Bij ons” is bij NOB Design, en hoewel Elting met een van de nummers (‘Sick Rose’) in zijn afstudeerproject nog de oppervlakkigheid van het massamedium televisie had uitgelicht, neemt hij de uitnodiging aan. Na een paar klussen komt hij omstreeks 1992 in vaste dienst om daar zo’n zes jaar te blijven.

Zijn stijl valt goed binnen de tegenreactie op de strakke, glimmende 3D-vormgeving waarmee met name het commerciële RTL4 zich sinds haar start in 1989 mee onderscheidt. De publieke omroep als geheel, als ook de omroepverenigingen individueel, zijn daarna meer dan ooit gebrand op hun profilering en – daarin aangemoedigd door NOB Design en andere audiovisuele ontwerpbureau’s – hun (televisie)vormgeving. Een aantal omroepverenigingen gaat qua vormgeving (en programmering) de concurrentie aan met RTL, maar enkelen zoals de VPRO, KRO en NCRV proberen zich duidelijk te distantieren van het ‘platte vermaak’ met filmische televisievormgeving met ‘echte’, natuurlijke materialen en allerlei klassieke symbolen en referenties. Uitgesproken voorbeelden van die tegenreactie zijn onder andere de zendervormgeving voor Nederland 1 en de NCRV-televisiehuisstijl van Peter van Loenhout die heel tactiel en schilderachtig te werk gaat. Ook Elting’s persoonlijke signatuur valt in deze hoek in de smaak.

Elting werkt het meeste voor de KRO. De nieuwe huisstijlen van 1997 en 2000 had de KRO uitbesteed aan respectievelijk Valkieser en een reclamebureau, toch kiezen de KRO- programmamakers in de regel voor een leader van Elting. Het moest tussen de KRO en een ontwerper een beetje klikken. Frans Schupp had zich sinds midden jaren zeventig met succes aan de katholieken verbonden en meerdere malen logo en huisstijl onder handen genomen, als ook vele programma-leaders. Het klikte en naar eigen zeggen was zijn Limburgse herkomst daar een factor in. Maar ook tussen Groninger Elting en de KRO klikt het en Elting volgt zodoende Schupp op als KRO-ontwerper.

Zo maakt Elting in de jaren negentig programmaleaders en in een aantal gevallen ook de bijbehorende muziek voor Memories, Spoorloos, Nirvana, Theater van het sentiment, Het huwelijk, Vurige tongen, De reünie. Niet toevallig programma’s waarin nostalgie en romantiek een grote rol spelen. We zien archiefbeeld, oude foto’s, vuur, klokken, rozenblaadjes en doolhoven tegen wolkenluchten, zee, vuurvonken en klassieke lettertypes. In de leader voor Nirvana, een programma over het verdriet na het verlies van een dierbare, zien we visuele cliche’s als stromend water en opbloeiend opschot uit een omgehakte boom, maar toch wordt het niet larmoyant. Het is geen vernieuwende leader, geen avant-garde, maar het treft zijn doel en zet precies de toon neer die de makers voor het programma in gedachte hadden.

Ook programmamakers van andere omroepverenigingen weten hem te vinden. Dat heeft naast stijl, ook te maken met Elting’s inhoudelijke aanpak, zijn leaders zijn vaak zeer doordacht. Een goed voorbeeld is een leader voor EO-programma Vrienden van vroeger. We zien op de jaarringen van een doorgezaagde boom koperdraad om drie roestige spijkers gewonden worden. In het programma worden telkens drie vrienden (de spijkers) die uit elkaar zijn gegroeid uitgenodigd. Elting: “Ze zijn verspreid geraakt maar komen wel uit dezelfde jaar(k)ring. Het koperdraad, symbolisch voor het programma, verbindt ze opnieuw..” Het zijn opvallend vaak programma’s die net als de genoemde KRO-titels aansluiten bij de liefde van Elting voor oude spullen en dingen die een beetje ‘geleefd’ hadden.

Andere leaders ontstaan spontaner, zijn wat minder doorwrocht, zoals de leader voor TELEAC-cursus Passie voor Klei. Elting: “We hadden niets, wat suffe shots van iemand die aan het boetseren is. Tsja, wat moet je ermee?” Hij gaat met klei aan de slag, bedenkt dat er een gekleid lijstje om de beelden komt, “leukt” dat nog een beetje op en na een uur of twee stop motion opname ontstaat er een heel aardige leader.

De opdracht die Elting enige bekendheid op zal leveren is de zendervormgeving van Nederland 3. VARA, VPRO en NPS, destijds de hoofdspelers van het derde net, willen hun identiteit benadrukt zien in de stationcalls, maar buiten dat de sierlijke 3 (een ontwerp van Max Kisman) in beeld moet komen, stellen ze geen eisen en laten de ontwerper de vrije hand. Elting maakt zo’n twintig verschillende stationcalls die op verschillende momenten in de dag en in de wisselende programmering van de zender ingepast kunnen worden. Er is een leader waarin de ‘3’ in een soort steampunk fabriekssetting gebouwd wordt, een versie waarin drie ‘3’s een grijparm in een kermismachine vormen, een versie met een zoetrope, met linten, met water, enzovoorts. Van alle variaties die hij maakt is het vooral de closing call (de stationcall die de uitzending afsloot, we hebben het nog over de tijd dat zenders ‘s nachts op zwart gingen) met fietslichtjes die de harten van vele kijkers stal. Op de maat van de tune (van Bernhard Joosten) twinkelen honderden kleine gloeilampjes als een sterrenhemel en vormen de ‘3’. Zoals Elting het zelf beschrijft: “Het is een gekrioel van de drukte van de dag, iedereen komt op zijn plekje en als in een flatgebouw zie je de lichtjes uitgaan. Meer is het niet. Simpele metaforen vind ik het leukste om mee te werken.”

Hij koos ervoor om deze serie stationcalls veelal met behulp van stop-motion te maken, een techniek die hij bijvoorbeeld ook bij de gekleide leader hierboven gebruikte. Een techniek zo oud als het medium film, maar wel op een geavanceerde manier toegepast dankzij de computergestuurde rostrumcamera die het maken van een stop-motion animatie in combinatie met een camerabeweging vergemakkelijkte. Desalniettemin draaide Elting urenlang met de hand fietslampjes in en uit de fittingen. De houten plaat met de fittingen bleef nog een tijd aan de muur van zijn werkkamer hangen en voor Klokhuis (23-1-1997) mocht hij nog eens voordoen hoe hij te werk was gegaan.

Twee versies van de Nederland 3-vormgeving – de steampunk fabriek en de fietslampjes – worden genomineerd in de categorie ‘huisstijl’ door de internationale Broadcast Designers Association voor een PromaxBDA Award. En vanwege die nominaties staat Elting even in de spotlightst en mag hij bij Kunstmest (5-3-1996) vertellen hoe zeer hij nopjes is met de internationale blijk van waardering. Elting laat de steampunk installatie zien, waarvan hij, geholpen door een stagiair, de onderdelen plaatje voor plaatje in beweging bracht. Hij vertelt hoe het ding stapsgewijs ontstond in samenwerking met maquettebouwer Fried van der Linden, waar hij vaak mee samenwerkte. De onderdelen werden “bij elkaar gestruind in de heerlijke kasten van de maquetteafdeling. Samengesteld uit rommel dus. Wat we niet vonden – maar wat voor de vorm wel nodig was – is op maat gemaakt.” De nominaties worden verzilverd en hij haalt samen met zijn collega’s de Awards op in de VS.

Het gebruik van de stop-motion techniek en ‘oude rommel’ zijn typisch voor het werk van Elting, maar het is niet zo dat hij een aversie had tegen de computer. Net als zijn collega’s bij NOB Design is hij ervan overtuigd dat het idee leidend moet zijn en de techniek volgt, zo legt hij uit bij Kunstmest. Het is in die tijd, waar de computeranimatie-technieken zich razendsnel ontwikkelen een veel gehoord statement. Want het gebeurt ook wel andersom, dat een nieuwe knop of een nieuw effect bepaalt hoe een leader of stationcall er uit komt te zien. Maar als het idee leidend is, kan het soms juist nodig zijn zo’n glimmend 3D-logo te maken, zo legt Elting uit: “Héél soms mag het ‘over the top’. Voor de live-uitzending [2013] van de troonswisseling had BVN een rondloper nodig om wereldwijd de verschillende zenderfeeds/tijdzones te laten aanhaken bij de NOS-uitzending. Feestelijke aanleiding om een animatie met daarin álles wat ik normaal nooit gebruik, maar wel leuk om de nieuwe 3d raytracer te testen.” De ident voor bioscoopketen JT valt in dezelfde categorie (beiden ook met muziek van Elting).

Elting blijft tot ongeveer 1998 bij NOB Design en begint dan voor zichzelf. Het geeft hem meer bewegingsruimte om in meerdere disciplines te werken. Die afwisseling, “de ene week een KRO-programmaleader maken, de volgende week de inrichting van een huis of muziek schrijven voor Spoorloos (KRO)” bevalt hem prima. In de combinatie van ruimtelijk en audiovisueel ontwerp kan hij ook beter zijn fascinatie met licht kwijt. Zo ook in een van zijn laatste grote klussen voor televisie; de decors voor de NOS-programma’s in 2005 die als onderdeel van de grootscheepse restyling door Elting vorm kregen.

In 2005 grijpt de NOS een grondige herstructurering en modernisering van de nieuwsorganisatie aan om ook het logo (uit 1969 van Johan Volkerijk), huisstijl en de programmavormgeving onder handen te nemen. De pitch voor de huisstijl werd gewonnen door het Britse bureau van Martin Lambie-Nairn en onder zijn hoede werden leaders, tunes en decor ontwikkeld, de eerste twee via een pitch. Elting werd rechtstreeks gevraagd om de decors voor de NOS-programma’s te ontwerpen. Ik interviewde hem daar in 2005 over en hij vertelde: “Bij de NOS hadden ze een rondje gemaakt langs alle programmamakers – NOS Actueel, Jeugdjournaal, Den Haag vandaag – voor veel van die programma had ik wel eens iets gemaakt en ik bleek op alle lijstjes te staan. Toen hebben ze me gewoon gevraagd en daar ben ik beretrots op.”

Bij NOS-programmamakers was Elting al een bekende, hij had bijvoorbeeld in 1996 een opvallende animatie gemaakt voor NOVA (NOS, NPS, VARA) ter gelegenheid van de Statenverkiezingen in 1996. Over dit filmpje vertelt Elting op zijn facebook-pagina het volgende: “In mijn herinnering de kortste doorlooptijd ooit: de opdracht kwam maandag om 09:00. Idee af na de koffie, als een haas naar de maquetteafdeling (Fried van der Linden), die rond vier uur klaar was. Toen in de ETS (Elektronische Trucage Studio, Hans Leideritz) met de robotcamera de animatie gemaakt tot een uur of negen. Stopmotion/motion control beweging in één scene, dus geen montage, alleen kleurcorrectie. Half tien ‘s avonds tape in de regie.” Hij legt ook uit hoe Nederland hier gemaakt is: “De maquette is een vierkante tafel met klossen op de hoeken (buiten beeld), met daarop een glasplaat. Nederland is van piepschuim met voorgeboorde gaten waarin de potloden precies klemzitten, nog onzichtbaar door het zand. De zee is van schilder-afdekfolie met daaronder shampoo (het mocht wat kosten…) en blauwe acrylverf. Per frame heb ik ‘pianogespeeld’ over de zee om de golven te maken. De stemvakjes schuiven over de glasplaat en worden ter plekke met rode viltstift ingekleurd.”

Verder werkt Elting een aantal malen samen met NOS-regisseur Martin de Groot (‘koning van de schuif’) aan het visualiseren van verkiezingsuitslagen. Ze willen de uitslagen ruimtelijk weergeven, bijvoorbeeld door middel van fysieke bewegende ‘palen’ en ‘schillen’ gebouwd uit PVC-buizen, en later in geheel virtuele decors. Ook voor wat kleinere, ad hoc opdrachten, de vormgeving van een Jaaroverzicht of een desk voor ‘breaking news’-mededelingen, weten ze hem te vinden. En hij had in 2000 een NOVA-leader mogen maken (zie hier leaderdeel voor de headlines en na de headlines) met aanstormend licht.

De huisstijl die Lambie-Nairn had bedacht voor de NOS was heel clean, grafisch en strak met een logo in schreefloze letters op een witte achtergrond. De ideeën daarachter, “open, efficient en fris” vertaalde Elting naar de decors. Soms heel letterlijk, zo kregen alle desks en tafels in alle NOS-programma’s de vorm van de rode ‘O’ uit het logo. Er werden uiteindelijk wel twaalf verschillende tafels gemaakt, van katheder tot grote tafel voor vier of vijf gasten. Hij gebruikte voor de rest van het decor echte materialen, namelijk hout en metaal, want het moest eerlijk en herkenbaar, geen ‘”mooimakerij” zijn. Verder was er een mysterieuze gang zonder einde (spiegeleffect) en lichtgevende wanden.

Die lichtgevende wanden waren een noviteit. Door LED-strips op de randen van het plexiglas te zetten, leken de daarmee opgebouwde onderdelen van binnenuit verlicht. Het was zuinig en scheelde ruimte, bovendien kon de kleur van het licht aangepast worden, overdag iets feller, ‘s avonds iets zachter, ze konden zelfs van kleur veranderen voor bijvoorbeeld het Jeugdjournaal, vertelde hij enthousiast. Het klinkt nu in 2020 allemaal doodeenvoudig, maar het was in 2005 nog erg nieuw.

De NOS-decors van 2005 zijn de laatste grote televisieopdracht voor Elting. Hij bleef ontwerpen in opdracht, deed vormgeving voor bedrijfsfilms en interieurs, maar de laatste jaren zagen we op zijn facebook-pagina vooral vrij werk voorbij komen. Veelal lampen; ‘objects trouvé’ met geestige titels en achtergrondverhaaltjes, prachtig gefotografeerd of gefilmd. Zoals “Tinie en Antje, tafellampjes (2017)” een ode aan de theevisites aan zijn twee tantes – “Antje was de zoetekauw, Tinie rook naar pepermunt en 4711.”

Het lijkt erop dat Elting ook in religieuze zin het licht had gevonden, hij speelde orgel en wijdde zich aan vrijwilligerswerk (hij maakte bijvoorbeeld fietstochtjes op de tandem als maatje van de blinde Tom). Maandag 20 april 2020 is Ed Elting in Haarlem begraven, na een sobere plechtigheid, geleid door de dominee van de kerk waar hij het orgel speelde.

Bronnen:

John Scheien, de laatste van de voormalige NOS Afdeling Decorontwerp, is met pensioen

Met het vervroegde pensioen van technisch tekenaar John Scheien is nu echt een einde gekomen aan de Afdeling Decorontwerp. John begon hier in 1985 zijn televisieloopbaan, maakte de privatisering in 1988 mee, bleef vervolgens in dienst van het NOB en al haar rechtsopvolgers en nam in de jaren daarna geleidelijk afscheid van al zijn voormalig NOS-collega’s die met pensioen gingen of voor zichzelf begonnen. Tot hij als laatste oudgediende van wat ooit de NOS Afdeling Decorontwerp heette overbleef. Harald Kassies – begonnen na de privatisering- en een nog niet gevonden nieuwe kracht gaan straks samen de decorontwerp-tak van Unbranded voortzetten.

Ik ging op bezoek bij John en vroeg hem hoe zijn pensioen bevalt. “Mijn vrouw en ik zijn een half jaar gaan reizen: Kuala Lumpur, Hongkong, Saigon, Indonesië -waar zij vandaan komt.” Een kast vol souvenirs herinnert ze aan deze en vele voorgaande reizen. John: “Mijn vrouw is ook doof dus naar het theater of muziek luisteren dat is niets voor ons. Reizen en de wereld zien, dat is onze hobby.”

Het blijkt lastig om een opvolger voor John te vinden, zodoende is hij nog regelmatig te vinden op het Mediapark. “Ik werk nu freelance. Meestal twee dagen per week, als er belangrijke of grote opdrachten zijn meer. Ik heb niet de mentaliteit om er om vijf uur mee op te houden, ik help tot het einde van de opdracht. En ik kan Harald nu niet alleen laten.”

John Scheien NOB 1998. Bron: persoonlijk archief John Scheien

Omdat John doof is schuift een doventolk aan bij ons gesprek. Verbaast dat mensen, een dove man bij de televisie? “Niet iedereen gelooft het. Ik kom uiteen klein dorp in Limburg waar iedereen elkaar kent. Toen ik bij de NOS kwam werken vroegen de mensen aan mij ouders; ‘waar is John?’ De mensen geloofden niet dat ik bij de televisie werkte: ‘Wat moet een dove man daar doen?’ Maar toen mijn naam op de aftiteling kwam moesten ze het wel geloven.” Hij komt later met nog een voorbeeld: “Jaap de Groote [collega decorontwerper] had een keer een decor voor een kinderprogramma staan in de studio en er zat in het publiek een groep dove kinderen. Die geloofden hem niet toen hij ze vertelde dat hij een dove collega had. Hij haalde me op van kantoor. Ze moesten me zien om het te geloven.”

Dat hij doof is heeft een aantal grote voordelen, zo legt John uit. “Ik kan me heel goed concentreren, dat was erg handig op een drukke afdeling. En daardoor zijn mijn tekeningen altijd goed en duidelijk. Dat moet, want ik kan niet telefoneren om nog iets uit te leggen. Mijn werk moet voor zichzelf spreken.” Dat bleek van doorslaggevend belang bij zijn sollicitatie bij de NOS.

Vacature NOS 1985. Bron: persoonlijk archief John Scheien

John: “Na een studie MTS Bouwkunde heb ik bij verschillende architectenbureau’s gewerkt aan restauraties in de omgeving van Maastricht. In 1983 ben ik ontslagen, midden in de economische crisis, ze hadden geen werk meer voor me. Twee jaar heb ik overal in de omgeving gesolliciteerd. Op een dag zal ik in de krant een advertentie van de NOS. Het was wel een grote stap om boven de rivieren te solliciteren, maar ik wilde graag werken. Ik reageerde en werd uitgenodigd.”

“Mijn sterkste wapen is niet mijn mond, dus ik had een heel pak tekeningen meegenomen en daarmee heb ik de sollicitatiecommissie kunnen overtuigen. Dat waren de tekeningen voor stedenbouw, kloosters, kerken, technische tekeningen. Ze vroegen: hoe heb je dat allemaal op papier kunnen zetten? Ik legde ze uit: de architect vertelt mij zijn verhaal en ik zet dat op papier voor de bouwers.”

Dat laatste is precies waar Cor Straatmeyer, chef van de afdeling Decorontwerp op dat moment naar zoekt. Onder leiding van Reinier Spaans, die uit de bouw komt en al enkele jaren op de afdeling werkt, wordt een nieuwe onderafdeling van technisch tekenaars gevormd. Zij moeten de ideeën van de decorontwerpers vertalen in tekeningen waar de decorbouwers mee uit de voeten kunnen. Vanuit NOS Decoruitvoering komt Martin van Wijk erbij en gelijktijdig met John wordt ook bouwkundig tekenaar Rob Verhoog aangenomen. Tot slot komen er nog twee jongeren bij: Arti Enkelaar en Kees van Uuden en dan is de nieuwe onderafdeling compleet.

Wat was jullie taak? John: “We schakelden tussen kunstenaars en de praktijk. De decorontwerpers bedachten iets en onze taak was om er een oplossing voor te vinden. Het zwembad in Ron’s Honeymoonquiz bijvoorbeeld, met een uitrekbaar plateau. Wij moesten dan bedenken hoe dat werkt, zodat het gebouwd kan worden. Soms was dat lastig, maar als een ontwerper met een duidelijk verhaal kwam dan konden we daar altijd wel wat mee. Soms begrepen we het niet, dan was het iets te veel fantasie. Maar het gezegde op de afdeling was: ‘onmogelijk bestaat niet!’

Was het lastig om als dove man op de afdeling Decorontwerp je draai te vinden? John: “In het begin was het wel eens moeilijk, ontwerpers zijn vreemde mensen eigenlijk, het zijn zogenaamde kunstenaars en de vreemdste ideeën kwamen voorbij. Omdat ik doof ben, heb ik ze laten zien wat ik kon. Maar ik voelde me al snel als een vis in het water bij de NOS.”

Crew & cast van Wedden Dat?! 1993. Bron: persoonlijk archief John Scheien

“Na een aantal jaar kwam voor mij een grote doorbraak. Ik werkte voor Misjel Vermeiren aan Wedden Dat!? Misjel werd ziek en toen moest ik in de studio’s in Aalsmeer bij Joop van den Ende en Guus Verstraete laten zien wat ik kon. Daarvoor kenden zij mij niet, ik zat in Hilversum op kantoor te tekenen. Zij hebben mij toen geaccepteerd en nog een mooie brief gestuurd naar de manager bij NOB. Vanaf toen gingen de poorten open en kwam ik regelmatig in Aalsmeer of bij andere klanten. Ik kreeg aanvragen van mensen die met mij wilden samenwerken, de wereld ging open.”

Een ander bijzonder programma, een van de duizenden waar John aan heeft gewerkt, is het UNICEF Gala (Kans voor een Kind) in 1994 vanuit Studio 24 in Hilversum met een decorontwerp van Dirk Debou. Aan het einde van de uitzending wordt alles geveild voor het goede doel; van de stropdas van presentator Peter Jan Rens tot en met decordelen. John helpt de toneelmeesters een handje met het verzamelen en presenteren van de veilingstukken, het is een van de zeldzame momenten dat hij zelf op het scherm is.

Crew & cast van Kans voor een Kind, 1994. Bron: persoonlijk archief John Scheien

Deze twee programma’s zijn al van enkele jaren na de privatisering van de facilitaire tak van de NOS (Nederlandse Omroep Stichting). Als John in 1985 begint, werken er op de NOS-afdeling Decorontwerp zo’n vijftig mensen; decorontwerpers, decorassistenten, technisch tekenaars, maquettebouwers, freelancers ook nog. De afdeling wordt in 1988 onderdeel van het Nederlandse Omroep Bedrijf (NOB) en moet dan volledig concurreren met andere productiebedrijven. Sinds 1988 slankt de afdeling almaar verder af.

John: “De leukste tijd was bij de NOS. Dat was helaas maar een korte periode. Toen ik solliciteerde dacht ik, ik kom nu bij de NOS, dat is een instituut, daar kan ik blijven tot mijn pensioen. Dat liep anders. Vanaf de NOB-tijd was het reorganisaties en ontslagen, het ging op en af. Het was een moeilijke tijd waarin we vooral bezig waren te overleven. Decorontwerpers werden te duur gevonden, de prijs werd steeds lager er kwam concurrentie van buiten, ook van mensen die enkele jaren daarvoor bij ons het vak hadden geleerd.”

Advertentie NOB Decorontwerp. Bron: persoonlijk archief John Scheien

In 2000 worden bedrijfsonderdelen van het NOB opgesplitst. De voormalige afdeling decorbouw wil de decorontwerpers er wel bij hebben, maar niet alle decorontwerpers zijn het daarmee eens. Hub Berkers en Dirk Debou zijn van mening dat de belangen van decorbouw en decorontwerp tegenstrijdig zijn en gaan naar DutchView. John: “Ik begreep hun keuze wel, maar de meesten wilden toch bij NOB blijven. Uiteindelijk wilde NOB Decor toch van ons af en kwamen we twee jaar later ook bij Hub en Dirk bij DutchView terecht.”

“De jaren bij DutchView, tussen 2002 en 2007 zijn erg moeilijk geweest. Op een vrijdagmiddag hoorden we: de hele afdeling wordt ontslagen. Achteraf denk ik dat ze van ons af wilden omdat ze het bedrijf wilden verkopen, decorontwerp was een vreemde eend binnen het geheel. Als ze ons zouden uitstoten konden ze bepaalde andere bedrijfsonderdelen verkopen. Wij wisten wel dat het een moeilijke tijd was. Na een besloten bijeenkomst met de directie kregen we te horen dat ons ontslag was aangevraagd en dat dat ook aan de klanten zou worden doorgegeven. Wij hebben als afdeling bezwaar gemaakt, een advocaat ingeschakeld.”

Maar het nieuwtje was als over het Mediapark verspreid. De directeur van Chain benaderde de groep en stelde voor om ze over te nemen. John somt op wat er daarna gebeurd: “Anne-Mari Ahola en Misjel Vermeiren begonnen voor zichzelf. Rob Verhoog, Dirk Debou, Harald Kassies en John gaan naar Chain. Na ongeveer drie jaar gaat Dirk door als zelfstandige. Chain kwam in 2010 financieel in de problemen. Rob Verhoog begon voor zichzelf. Harald en ik zijn door United Decor overgenomen, wel met met tegenzin voelde ik. Vanaf dat moment was het geen leuke periode, er kon geen schouderklopje af en Harald en ik waren maar met z’n tweeën. Een ramp als je bedenkt dat toen ik in 1985 begon er 50 mensen werkten. Dat miste ik, het was toen gezellig. Ook door de computer verdween persoonlijk contact. Vroeger bracht ik de tekeningen langs bij de klant, nu e-mail ik ze. De sociale contacten waren voor mij heel belangrijk en dat miste ik.”

Toegangspasjes NOS, NOB, DutchView, TCN Mediapark, United Decor en Hollandse Handen

John: “Decorontwerpers hebben een makkelijk leven gehad. De opdrachten kwamen vanzelf binnen, dan ging er een fles wijn open, het was gezellig hoor! Er was ruim de tijd. Nu gaat het zo snel, een telefoontje: ‘kunnen we morgen de tekeningen hebben, volgende week moet het staan!’ Vroeger kon je altijd wel iets kleins aanpassen als het nodig was, nu is het direct: ‘wat kost dat?’ Offertes zijn tot in de allerkleinste details uitgesplitst, vroeger was er meer vrijheid en vertrouwen: ‘als het maar mooi wordt!” Dat en het wegvallen van de sociale contacten doet John dan ook besluiten om een jaartje eerder met pensioen te gaan.

Als enige dove man bij de televisie wist iedereen altijd wie John was. “Mijn zwager is een keer naar een open dag van de televisie geweest. Hij raakte aan de praat met iemand en vroeg: ‘kent u John Scheien?’ ‘Nee, nooit van gehoord’, antwoordde de man. Mijn zwager vroeg verder, “kent u die dove man?’ “Oh die! Ja natuurlijk ken ik die.’ Ik vind dat niet vervelend, ik ben er trots dat ik bij de televisie werk en iedereen me accepteert om wie ik ben.”

Eurovisie Songfestival huisstijl: toen en nu

Donderdagochtend onthulde de Nederlandse Eurovisie Songfestival-organisatie de grafische identiteit voor het Eurovisie Songfestival 2020. Het beeldmerk visualiseert de deelnemende landen vanaf het moment dat ze gingen deelnemen aan het songfestival. In een video (zie verderop in dit stuk) wordt het visueel uitgelegd. De datavisualisatie-specialisten van CLEVER°FRANKE zijn verantwoordelijk voor het ontwerp. 

Uit het persbericht: “Het beeldmerk borduurt voort op de vormgeving van drie voorafgaande edities van het Eurovisie Songfestival die in Nederland gehouden werden in 1970, 1976 en 1980.” Een mooi moment om Frans Schupps Eurovisie Songfestival-vormgeving er weer eens bij te pakken. Ik sprak ook met Ben Prins, hij is als design manager bij de ESF-organisatie verantwoordelijk voor de uitvoering van alle Songfestival-vormgeving.

Beeld via NPO.nl

Ben Prins, design manager Songfestival
Ben Prins loopt na zijn studie aan de AVK|St.Joost stage bij de NOS en blijft. Hij is designer/animator bij NOS op 3 en onderhoudt als een soort artdirector de online huisstijl van de NOS. Nu richt hij zich volledig op het ESF, hoewel hij ook de online huisstijl van de NOS nog onder zijn hoede heeft. Als design manager zorgt hij ervoor dat alle ESF-uitingen een samenhangende look & feel hebben. Het Songfestival is meer dan de drie live-shows, het is een evenement met randprogrammering, plus een marketing-operatie voor Rotterdam en Nederland. In dat kader is er merchandise te maken en overleg te voeren met Rotterdam city-marketing. Hoewel Ben zelf ook ontwerpt, worden voor de grotere opdrachten, zoals de televisie-animaties, het vullen van de schermen in het decor en de merchandise externe bureau’s ingeschakeld. Vervolgens is Ben de persoon die de uitvoering coördineert en er voor zorgt dat alles in lijn is met de huisstijl. 

Ben heeft een drukke week achter de rug als afgelopen donderdagochtend vroeg de eerste beelden en persberichten online komen. “Het is een hele opluchting en ik ben er heel trots op. We hebben een goed verhaal neergezet. De kleuren en vlaggen in de datavisualisatie vertellen het verhaal van de oorsprong van het festival, de basisgedachte van landen bij elkaar brengen zit er in. En waar ik trots op ben is dat het echt onderscheidend is, heel grafisch, flat design noem ik het. Dat zie je niet veel op televisie en zeker niet de laatste jaren bij het Songfestival. Wat het ook echt Dutch Design maakt is de intelligentie in het ontwerp. Over alles is nagedacht.” 

Meer over het ontstaan en de betekenis van het ontwerp is te lezen in het persbericht van CLEVER°FRANKE en bij Dezeen.com. Thomas Clever, een van de oprichters van het bureau noemt daar de fraaie vormgeving van eerdere edities: “The Eurovision Song Contest has seen some very exciting identities, design applications and spectacular decors. I think a lot of people tend to focus on the kitsch and the latter is not often recognised.” Hoewel hij geen namen en jaartallen noemt, ga ik er vanuit dat hij het over de Nederlandse edities heeft, met de baanbrekende bewegende decors van Roland de Groot en het fraaie logo van Frans Schupp.

Ik vind de link naar de geschiedenis van het Songfestival en in het bijzonder de verwijzingen naar de huisstijl van Frans erg leuk. Was dat een uitgangspunt in de ontwerpopdracht? Ben: “Nee, we hebben oude edities bekeken, maar nooit gedacht van; laten we iets doen wat op dat specifieke jaar lijkt. Toen we op weg waren met CLEVER°FRANKE zagen we de overeenkomsten in de vorm, kleuren en de vlaggen, het tweedimensionale. Het logo van Frans is daarnaast ook intelligent; de muzieknoten, de beweging, er zit een goed verhaal achter en daar streven wij ook naar. Die overeenkomsten sterkte ons in de gedachte dat we op de goede weg zaten. Het was dus geen uitgangspunt, maar stuurde wel een beetje.”

En wat vind Frans ervan? “Ik heb de video gezien en ik vind het fantastisch. Geweldig hoe de vlaggetjes zo bij elkaar komen. Ik was bang dat het misschien glimmend zou worden of iets in die richting, maar het is ziet er perfect grafisch uit, heel eigentijds. Het is ingetogen, maar wel opmerkelijk. En het verhaal is ook heel goed.”

Frans Schupp, grafisch ontwerper bij de NOS, 1963 – 1995
Frans Schupp begon in 1963 op de afdeling grafisch ontwerp van de NTS, de afdeling die alle leaders en vormgeving voor televisieprogramma’s en omroepverenigingen verzorgde. De NOS was tot 1988 naast zendgemachtigde ook een facilitair productiebedrijf, compleet met een eigen ontwerp afdeling. Omdat de NOS voor het Songfestival haar beste beentje voor wilde zetten, kwamen de opdrachten vervolgens op de tekentafels van de beste krachten van de afdelingen decorontwerp en grafisch ontwerp. Bij Roland de Groot en Frans Schupp dus.

Schupp had zich eind jaren zestig bewezen met onder meer Toppop, dat niet alleen vooruitstrevend en opvallend vormgegeven was, maar wat ook een buitengewoon intensieve productie was. Elke week creëerde hij nieuwe titelkaarten, miniaturen van gips, fotomontages, leaders, trucages om de studio-optredens van grote internationale artiesten op te luisteren. Ook het Songfestival zou een buitengewone inzet vergen en had vanwege de 400 miljoen internationale kijkers voor de NOS een hoog afbreukrisico.

Frans: “Waarom ze bij mij kwamen? Kijk, ik maak er geen kunstwerk van. Ik kan de sfeer van een programma goed vangen. Of je iets voor de VARA maakt of voor de KRO of het Songfestival, dat is allemaal iets heel anders. Ik kan me goed verplaatsen in de opdrachtgever, uitzoeken wat de bedoeling is. Ik denk dat ze mij daarom vroegen. En ik begreep ook dat mensen in het buitenland het snel moesten snappen, het moest direct herkenbaar zijn. Ik had een paar schetsen gemaakt. Regisseur Theo Ordeman en productieleider Warry van Kampen wezen al snel naar het logo opgebouwd uit de muzieknoten in rood, wit, blauw: ‘dat wordt het’. Het ging allemaal heel soepel.”

Pitch
De opdrachtverlening voor grafisch en decorontwerp verloopt sinds de privatisering van de NOS wel anders. Voor beide disciplines worden tegenwoordig vaak pitches uitgeschreven. Ben: “We hebben twaalf partijen uitgenodigd om te pitchen, waarvan er elf uiteindelijk meededen. Dat was een hele brede selectie; van eenpitters tot de grote reclamebureau’s. Nederlandse partijen natuurlijk, Dutch design was een belangrijk uitgangspunt. Los van de vraag of eenpitters zo’n grote opdracht aan zouden kunnen, wilden we zelfstandig ontwerpers wel de kans geven, het gaat uiteindelijk om dat ene fantastische idee. Het werd CLEVER°FRANKE, een wat groter bureau bekend om hun datavisualisaties. Met hen zijn we door gaan ontwikkelen.” 

Ben: “Het was niet zo dat CLEVER°FRANKE het ontwerp neerlegde en zei: ‘dit is het, punt.’ Het ontwerp is van hun, maar het is in samenwerking met ons ontstaan. Ik heb mee helpen kneden. Getest hoe de voorstellen uitpakken als je ze toepast, ben zelf aan de slag gegaan om de stijl te leren kennen en heb de ideeën overlegd met alle teams bij ons. Het was best een strijd. Sietse Bakker, die veel affiniteit en ervaring met vormgeving heeft, en ik hebben de flat design kar getrokken. Vanaf het begin was iedereen het er wel mee eens dat dit Songfestival anders moest worden, dat we er echt een Nederlands stempel op moesten drukken: onderscheidend en vernieuwend. Wat dat betreft stonden de neuzen dezelfde kant op.” 

“Maar je hebt binnen de Songfestivalorganisatie te maken met verschillende visies van de teams, als belangrijkste het showteam, want die maken het hoofdproduct. Om hen mee te nemen in flat design, daar waren wel wat extra gesprekjes nodig. Het is een nieuwe richting, omdat 3D nu zo de norm is voor televisie, hebben we het moeten laten zien, voorbeelden gemaakt om te laten zien dat het kan. Daarbij is ook de achtergrond belangrijk geweest [blauw met lichtbundels vanuit het midden op de jaren dat Nederland won], dat heeft wel die diepte en licht en is meer in de lijn met de Songfestivalstijl van de laatste jaren. Daar zit de ruimte. We zijn nu met animators verder aan het experimenteren hoe deze huisstijl in de show toegepast kan worden.”

Ontwerpsysteem
Frans kreeg in 1970 zijn instructies rechtstreeks van regisseur en productieleider, verder klaarde hij de klus in z’n eentje. Naast de titelkaarten voor de liedjes en titelkaarten voor de opening (deze in-camera animatie is hier te zien, hierboven enkele screenshots), kwam er vooral veel drukwerk bij kijken. “Het was de zoete inval, dan moest er weer een uitnodiging ergens voor komen, of een toegangsbewijs, bagagelabel, etensbon, meestal in meerdere variaties en alles drietalig. Ik had een systeem bedacht waardoor ik snel veel verschillende variaties kon maken. Met steunkleuren, de clichés van het logo en de verhoogde cliché’s die het logo in papier stanste, verschillende papiersoorten kon ik behoorlijk snel en goedkoop werken. Want het mocht niet te veel kosten. Dat verklaarde voor een deel de uniforme stijl, deels was dat ook de stijl van toen, denk aan de huisstijlen van Wim Crouwel en Total Design.”

Frans: “In 1976 mocht ik uitpakken, het mocht ‘blits’ en meer ‘show’ zijn. De wereld was heel anders dan in 1970 en de vormgeving veranderde mee. Voor de opening maakten we een animatie op film, bij Wim Gomez op 16mm film, beeldje voor beeldje. Om dat toch een beetje snel en efficiënt te doen gebruikten we een affiche met zwarte achtergrond met het logo en het kader van vlaggen eromheen. We sneden de vlaggetjes er tussenuit en schoven ze vervolgens millimeter voor millimeter tevoorschijn. Het zal voor ontwerpers van nu wel als het tijdperk van de stroomtrein klinken! Tegenwoordig zal er waarschijnlijk nauwelijks nog drukwerk aan te pas komen, het meeste zal digitaal zijn. Dat woord kende ik toen nog niet!”

Frans: “Er werd in 1976 helemaal niet over geld gesproken. Op alles wat ik voorstelde, kreeg ik te horen: ‘leuk, doe maar!’ Full-colour, spiegelend zilvergrijze inkt, foto’s, gekke formaten. Zo hebben we een soort kleurenwaaier gemaakt met het programma. Er waren twee versies, één met foto’s en informatie over de componist, en we maakten ook een versie met lege velden waar de landen hun punten in konden noteren. Dat werkte niet echt, maar we hebben het wel gemaakt, een heel gedoe hoor. Ik had toen overigens wel hulp, een stagiair Verburg en assistent Ton Overmars.”

Van scherm tot tramhalte
Hoe zit dat met alle uitingen die voor mei vormgegeven moeten worden? Ben: “Dat is de afgelopen veertig, vijftig jaar denk ik heel veel meer geworden. Vorige week donderdag hadden we ‘De Grote Inventarisatie’, we hebben de lijst gemaakt met alle dingen die we moeten gaan maken. Gelukkig zijn er in het team veel mensen die al langer bij het ESF meelopen en dus weten wat we straks in Ahoy aan ruimtes moeten aankleden. Het is helaas niet zo dat de EBU een kant-en-klare lijst heeft, we moeten het wiel zelf opnieuw uitvinden. Het is veel, van merchandise – denk hoodies, tasjes, keychains – tot bushokjes en complete trams. En natuurlijk op het scherm, in de uitzending zelf; idents, bumpers. In lettergrootte 9 is de lijst drie pagina’s lang en er komen nog steeds dingen bij.”

Ook bij Frans kwamen steeds nieuwe opdrachten binnen. “Veertien dagen voor de uitzending van 1976 kreeg ik er nog een klusje bij. Roland had weer een bewegend decor gemaakt, een hele toestand en iedereen bij de NOS was er druk mee, ze konden er niets meer bij hebben. De Vereniging der Nederlandse Bloemisterij had net als in 1970 aangeboden om bloemen aan te leveren, die zouden in de hal van het Congrescentrum komen en ik werd gevraagd om dat vorm te geven. Een vijver met een levensgrote uitvoering van het logo, met een fontein erin en dan al die bloemen. Het mocht allemaal wat kosten hoor. Carel Enkelaar, destijds hoofd van NOS Televisie, maakte er echt een feestje van.” De hal is goed in beeld na de openingsfilm met beelden van Madurodam en dansende hippiemeisjes (op YouTube te zien).

In 1980 was rol van Frans bescheidener. Zijn ronde logo uit 1970 en 1976 bleef in gebruik als onderdeel van een woordmerk en hij ontwierp een boek. Frans: “Dat was voor een deel een jubileumboek met overzichten en foto’s van de afgelopen 25 jaar. Het tweede deel bevatte praktische informatie: het reglement, telefoonnummers van hulpdiensten, heel overzichtelijk allemaal. Ebbenhorst, de pr-man van de NOS organiseerde dat en had er veel werk aan, ik natuurlijk ook. Als ik het nu zie had ik het misschien anders gedaan, maar alle logo’s van de deelnemende landen zo op de omslag, dat was wel een goede oplossing. De illustraties in het boek zijn gemaakt door mijn collega Johan Volkerijk.” Bij de vormgeving van de show werd Frans verder niet betrokken. Zijn beeld- en woordmerk is aan het begin en eind wel te zien, maar verder zien we electronisch titels – zeer modern voor die tijd – die volgens de aftiteling zijn verzorgd door ene Godske Holck Bruun.

Ingetogen
Kijkt Frans eigenlijk naar het Songfestival? “Ik moet zeggen dat ik wel eens wat jaren overgeslagen heb, maar afgelopen editie heb ik het wel gezien. Mijn vrouw vind het zo druk, ze wordt er tureluurs van, maar ik begrijp het wel. Dat hoort nu zo. Eigenlijk heeft Roland dat ingezet met zijn bewegende decors. Ik weet niet wat voor trucs ze tegenwoordig allemaal gebruiken, maar van het decor zie je niet veel meer. Ik verwacht dat Nederland het in mei wat rustiger gaat doen, natuurlijk wel met gebruik van alle moderne gereedschappen, maar meer ingetogen. Bedenk wel, je praat nu met iemand van 82 die niet meer zo goed op de hoogte is van alles wat nu kan. Ik ga in mei kijken, dat is zeker.”

Frans is dan wel 82, maar hij zou best wel eens gelijk kunnen krijgen. Het persbericht stelt dat: “het design de visuele basis vormt voor de drie shows en het evenement in Rotterdam.” Dat zou kunnen betekenen dat we een plat decor krijgen: denk een podium met een grote LED-wall en verder alles grafisch ingevuld met video- en augmented content. Of betekent het dat we ook qua decor een verwijzing naar vroeger kunnen verwachten? Komt er weer een echt, fysiek en visueel aanwezig ruimtelijk ontwerp in Ahoy te staan? Met alle nadruk op Dutch Design en deze gedurfde, out of the box keuze voor een datavisualisatie-bureau, zijn mijn verwachtingen in ieder geval hooggespannen. Volgende week meer…

Met dank aan Erwin Voorhaar van Beeld en Geluid

Wie o Wieder?

Nog 200 dagen tot de grote finale van het Eurovisie Songfestival (ESF). Voor het eerst sinds 40 jaar in Nederland. Voor het eerst in 40 jaar weer een kans om de wereld te laten zien wat ‘wij’ aan televisie- en designtalent in huis hebben.

Dat is in ieder geval de missie die de Nederlandse ESF-organisatie de dag na de overwinning van Duncan Laurence in een persbericht naar buiten bracht. Het Eurovisie Songfestival zal “een visitekaartje worden van Nederlandse creativiteit en media-innovatie”. Dat statement had vermoedelijk iets te maken met het ‘wat moet dat allemaal wel niet gaan kosten’-gemopper dat al losbarstte voordat Duncan überhaubt één stap in Tel Aviv had gezet. Op deze manier komt de aanzienlijke investering van (grotendeels publiek geld) tenminste nog ten goede aan de Nederlandse creatieve industrie. Economisch nut, daar valt niets tegen in te brengen.

Mooi, dacht ik, een Nederlandse decorontwerper krijgt dit jaar een kans om zich via het ESF internationaal te profileren! Goed voor de internationale positie van Dutch design ook. Dat gaat al lekker, maar zo’n extra zetje kan geen kwaad. Als we kijken naar de samenstelling van het creatieve team gaat het helemaal de goede kant op: er zijn Nederlandse regisseurs, een Nederlandse lichtontwerper, Nederlandse sounddesigners, een Nederlandse technisch producent en zo verder. Ook in de selectieleidraad bij de tenders voor leveranciers van het fysieke decor, als ook de tenders voor led-schermen, lampjes tot en met beveiliging en catering, laat de organisatie een duidelijke voorkeur blijken voor Nederlandse aanbieders (zie paragraaf 4.14 op pagina 16 over taal). De voortekenen voor Nederlandse stagedesigners zijn gunstig.

Of niet? De resultaten uit de laatste tien jaar geven minder reden tot nationalistisch optimisme.

Florian Wieder

Als je in de recente geschiedenis van ESF-decors duikt, kun je niet om Florian Wieder heen. Hij ontwierp sinds 2011 maar liefst zes maal voor het ESF. Wie is deze Florian Wieder en hoe is hij min of meer de vaste ESF-ontwerper geworden?

Wieder werkt sinds halverwege de jaren negentig als decorontwerper in Duitsland. Hij is verantwoordelijk voor televisiedecors van bijvoorbeeld de Duitse versies van All You Need Is Love en X Factor. In 2005 opent hij een kantoor in Los Angeles en lukt het hem om voet aan de grond te krijgen in de Verenigde Staten. Na het binnenhalen van de decoropdracht voor de MTV Awards in 2007 gaat het snel en nestelt hij zich stevig in de internationale top. Naast Amerikaanse en Duitse tv-shows verzorgt hij production design of creative production voor liveshows van internationale artiesten als Jennifer Lopez en Beyoncé (zie verder zijn IMDb– en Wikipedia-pagina).

Het ESF komt in 2011 binnen zijn bereik als Lena Meyer-Landrut de editie van 2010 wint. En dan is Wieder natuurlijk dé aangewezen persoon. In Düsseldorf zet hij een indrukwekkend decor neer waarvoor hij de Deutsche Fernsehpreis toegekend krijgt. In de jaren daarna mag hij vervolgens ontwerpen voor de ESF-edities in Azerbeidzjan (2012), Oostenrijk (2015), Portugal (2018) en Israël (2019).

De Zweden en de Denen

Florian Wieder heeft niet het alleenrecht op ESF-decors. Het lukt Denemarken (2014) en Zweden (2013 en 2016) om een decorontwerper uit eigen land naar voren te schuiven. Het decor voor Denemarken van Claus Zier is mijn persoonlijke favoriet. Een decor dat met een zeer sobere basisvorm en veel technisch vernuft wat mij betreft de toon zou moeten zetten voor Rotterdam 2020. Ook de Zweedse decors, vooral die van 2016, oogstten internationaal veel lof. Dit laatste ontwerp van Frida Arvidsson en Viktor Brattström werd gezien als gedurfd en spannend, met zeer aanwezige ruimtelijke elementen, veel lagen en diepte, en een uitgebreid scala aan licht- en videomogelijkheden.

Ook het afgelopen jaar is er een poging gedaan om tegen Wieder op te bieden, ditmaal echter zonder succes. De uitslag en enkele wetenswaardigheden over de tender lekten uit en zo weten we dat uit zeven inschrijving de voorstellen van de Israëlische Forma Studio (geleid door Maya Hanoch, die in 1999 het ESF-decor voor Israël ontwierp) en die van Florian Wieder als favorieten overbleven. Beide werden gevraagd om een tweede voorstel in te dienen, waarna een professionele commissie het ontwerp van Wieder koos. Hanoch was niet blij: “We are very disappointed by this decision.  They told us that the two designs were excellent. We did a spectacular stage design for Eurovision. Eurovision is happening in Tel Aviv and should be shaped by the Israelis.” Ik ben het eens met Hanoch, het ESF is een zaak van nationale trots. Het zou een blamage zijn voor Nederland, voor Dutch design, als het dit jaar ook niet zou lukken.

Wanneer en hoe?

Net als in Israël zal een tender uitgeschreven zijn voor het decorontwerp. Die voor decorbouw staat trouwens online (op TenderNet), maar de tender voor decorontwerp is – bij mijn weten – nergens te vinden en er is dus helaas verder niets te zeggen over hoe deze tender is opgesteld, wat de selectiecriteria zijn, hoe de tender verspreid is en wie er ingeschreven hebben.

Als het Nederlandse team ongeveer dezelfde planning volgt als in Israël dan zal het besluit waarschijnlijk rond deze tijd vallen. Want vorig rond deze tijd lekte de keuze voor Wieder uit. In andere jaren koos de organisatie ervoor om de naam van de stagedesigner pas begin december te onthullen. Dan is het voorlopig ontwerp verder uitgewerkt en gaan de voorbereidingen van start. De eerste beelden zien we in de regel pas veel later, als in april begonnen wordt met de bouw.

Hoe zal de onthulling van het decor of de ontwerper ervan gaan? Als het een Nederlandse ontwerper wordt verwacht ik in december toch minstens een kwartier zendtijd in De Wereld Draait Door. Voor de onthulling van de slogan werd op 23 oktober immers ook ruim de tijd genomen en decorontwerp is natuurlijk minstens zo interessant, kostbaarder bovendien. En als het toch weer Wieder wordt? Dan verwacht ik een stille trom. Knappe spindoctor die een keuze voor een Duitse designveteraan kan verkopen als het “visitekaartje voor Nederlandse creativiteit en media-innovatie”.

We wachten af…

UPDATE 30-10: Ik loop achter op het ESC-nieuwtjescircus. Sietse Bakker liet 25 oktober bij RTL Boulevard al weten dat het decor van de Eurovisiesongfestival is al rond is: “We hebben zelfs al stiekem gekozen. Als je een decor kiest ga je daarna dat uitwerken met technische tekeningen en lichtontwerpen. Je moet al snel een keuze maken. Die keuze hebben we al gemaakt en gaan we binnenkort bekend maken.”

Voorlopig geen nieuwe uitzendingen Sesamstraat

Het mooie kinderprogramma Sesamstraat dreigt voorgoed te stoppen. Eind 2015 verdween het programma van de televisie, maar online weten jonge kinderen (en hun ouders) het programma niet goed te vinden. Het is vanwege de Amerikaanse licentiekosten en hoge productiekosten een duur programma om te maken. De NPO besloot daarom de komende twee jaar geen nieuwe opnames meer te maken. Het programma blijft bestaan, maar zal samengesteld worden uit oude liedjes en fragmenten.

Voor Vorm van vermaak (2011) zochten Roy en ik ter illustratie van de grote verscheidenheid aan illustratie- en animatiestijlen en -technieken voorbeelden met opruimen, poetsen en wassen als onderwerp. Op (YouTube zijn nog veel meer animaties over alle mogelijke onderwerpen te vinden, bekijk ze hier.)

En dit schreven Roy en ik in Vorm van vermaak (2011) over Sesamstraat:

SESAMSTRAAT: NOS, NPS, NTR, vanaf 1976 

Sesamstraat is van oorsprong een Amerikaans programma. Met een duidelijk opvoedende taak; ouders hebben niet altijd meer de tijd om hun kinderen verhaaltjes voor het slapengaan te vertellen, en leerzame spelletjes te spelen met hun peuters en kleuters. Sesamstraat neemt die taak op zich, met een mix van korte sketches met poppen en acteurs, liedjes en verhaaltjes. Het blijkt een succesvolle formule die in veel landen aanslaat en in 1976 start de Nederlandse versie. Er komt een Nederlandse Sesamstraat, een echte straat met het winkeltje van Sien. Verder is er een Nederlandse Pino en de hond Tommie. Een deel van de poppenfilmpjes, zoals Bert en Ernie komen rechtstreeks uit Amerika – met Nederlandse stemmen. De rest van de liedjes, versjes en verhaaltjes zijn van Nederlandse bodem. 

Een illustrator die vanaf het begin voor Sesamstraat werkt, is Jet Boeke. Haar illustraties van Dikkie Dik met teksten van Arthur van Norden zijn echt bedoelt als verhaaltjes voor het slapen gaan. Ze plakt ze in grote kartonnen boeken. Die worden door een van de acteurs (meestal Frank Groothof) in Sesamstraat aan kinderen voorgelezen. Op haar website vertelt Boeke: ‘Nadat de Dikkie Dik-prentenboeken een paar jaar op televisie verschenen waren, kwam er vraag naar in de boekwinkels. De mensen zien het op de tv en denken dan dat die prentenboeken ook te koop zijn, natuurlijk’. De Dikkie Dik verhaaltjes worden zo echte prentenboeken. 

Daarnaast maakt Sesamstraat veel gebruik van de illustratoren van de NOS Grafische Afdeling. De teksten (er werken voor Sesamstraat zo’n 60 verschillende tekstschrijvers) komen binnen bij Hans de Cocq en die verdeelt ze weer onder zijn collega’s (Henk Vermolen, Arie Teunissen, Johan Volkerijk, Ton Holst en hijzelf) en studenten die stage lopen op de afdeling. Het is geen haastklus: Sesamstraat-opnames zijn maar een paar keer per jaar. Op dat moment neemt het team alle geschreven scènes, liedjes en verhaaltjes op. Daarna voegt de redactie de korte filmpjes samen op thema tot echte afleveringen. Het kan dus goed dat een ouder filmpje opnieuw gebruikt wordt en dat een nieuw gemaakt filmpje pas een jaar later op de televisie is. 

Monique Korteweg neemt in 1992, als De Cocq met pensioen gaat, de coördinatie van Sesamstraat over. Ze werkt voornamelijk met freelancers. Christa Moesker, Georgien Overwater en Wouter van Reek bijvoorbeeld zijn ontwerpers waar ze vaak liedjes en verhaaltjes geeft. ‘Ik weet dat het goed is en ze hebben alle drie een unieke stijl,’ aldus Korteweg. De persoonlijke stijl van de illustrator of animator is het belangrijkste, de mate van beweging in hun werk is ondergeschikt. ‘Ik vraag een illustrator vaak: wat wil je laten bewegen? Dat geeft een heel ander resultaat dan wanneer je een animator vraagt een animatie te maken; dan beweegt gelijk alles. Voor kinderen hoeft het namelijk niet allemaal zo druk. Hele eenvoudige animaties staan veel dichterbij de belevingswereld van kinderen. Die knippen ook poppetjes uit en bewegen ze op dezelfde manier’. De verscheidenheid aan vormen en stijlen prikkelt bovendien de smaak en de fantasie van kinderen. Sesamstraat heeft dus ook op esthetisch vlak een opvoedende rol. 

Sesamstraat heeft geen aftiteling. Korteweg: ‘De kinderen zien al de hele dag overal tekst die ze niet begrijpen. Maar niet in Sesamstraat, want dat is hun programma’. 

ESF NL 2020

Het was tot het laatste moment spannend, maar het is Duncan gelukt! Het Eurovisie Songfestival komt naar Nederland. Wat een unieke kans voor Nederland om te laten zien wat we in huis hebben aan creativiteit en innovatie, maar ook hoe efficiënt wij hier televisie kunnen maken.

Afgelopen jaren hebben veel gastlanden delen van de productie van het Songfestival internationaal uitbesteed. De Duitse artdirector Florian Wieder mocht bijvoorbeeld al vijf maal het decor ontwerpen. Wat zou het zonde zijn als AVROTROS, NPO en NOS de boel zo uit handen zou geven. Gelukkig blijkt uit het persbericht van gisteren dat ze dat niet van plan zijn.

Persbericht AVROTROS/NPO/NOS, 19 mei 2019

Hoe gaat het nu verder? Zoals in verschillende interviews en artikelen al naar voren komt: het is een grote klus (‘een jaar is eigelijk te kort’) en het gaat ook wat kosten. Er gaan verschillende bedragen de rondte, en een gastland kan het natuurlijk zo duur maken als ze willen, maar de ondergrens zal vermoedelijk zo’n vijftien miljoen zijn.

Op het eerste gezicht lijkt dat een gigantisch bedrag – is het ook – voor slechts drie shows. The Royal Bank of Scotland rekende het uit en RTL Z Nieuws vertaalde dat naar de Nederlandse situatie. Voor 15 miljoen zou je bijvoorbeeld 2.600 afleveringen van kunnen RTL Z Nieuws kunnen maken.

Nu is dat wel een appels-met-peren vergelijking. Een nieuwsprogramma kan het af met een tamelijk eenvoudig decor, weinig draaidagen, kleine studio, redactie en crew. En Heel Holland Bakt is een leuk programma, maar het is niet meer dan een tent op een grasveld. Bij een muziekshow komt wel ietsjes meer kijken. De vergelijking met The Voice Of Holland snijdt wel hout, daarvan kun je zeggen dat de benodigde faciliteiten en middelen min of meer overeenkomen met die van een Eurovisie Songfestival. Voor één Songfestival kun je 41 afleveringen van The Voice Of Holland maken. Nog steeds een dure grap, niet?

Laten we eens kijken naar de opbrengsten in de vorm van kijkcijfers. Hoeveel mensen bereik je met een productiebudget van 15 miljoen? Naar de twee halve finales en de finale keken in 2017 (de cijfers van 2018 waren nog niet bekend toen ik onderstaand tabelletje maakte) wereldwijd 186 miljoen mensen. Als je dat vergelijkt met de totale hoeveelheid kijkers van 41 afleveringen The Voice Of Holland dan is het Eurovisie Songfestival ineens helemaal geen slechte investering. Overigens blijkt dan dat RTL Z Nieuws qua kosten per kijker het niet veel beter doet dan Flikken Maastricht, een productie waar een grote cast en crew een hoop draaidagen mee zoet is.

Ik wil maar zeggen, televisie maken kost geld. Drama is duur, show- en muziekprogramma’s zijn duur. Als het Nederland lukt om voor 15 miljoen 186 miljoen kijkers te bereiken dan is dat een topprestatie en een geweldige boost voor de internationale profilering van de Nederlandse audiovisuele sector.

Vormgevingsarchieven onder de aandacht

In het Nieuwe Instituut te Rotterdam was de afgelopen maanden een boeiende tentoonstelling te zien. Het ging in het Speculatief Design Archief niet zo zeer om de objecten die tentoongesteld werden, de installatie vroeg aandacht voor de erbarmelijke toestand van vormgevingsarchieven. In het kort: die hadden na een voorzichtige opleving dankzij het internationale succes van “Dutch Design” nogal te leiden onder de kaalslag van Halbe in 2012. Anno 2018 constateert de Raad voor Cultuur dat het geheugen van de sector er niet goed voorstaat; vormgevingserfgoed is versnipperd, incompleet en niet goed te bestuderen. Duh! Bij Het Nieuwe Instituut ontstond als reactie hierop het Speculatief Design Archief.

Stichting Designgeschiedenis organiseerde 30 november 2018 naar aanleiding van het Speculatief Design Archief een bijeenkomst voor mensen die zich bezig houden met vormgevingsarchieven, professionals, leken en archiefvormers. Karin van der Heijden (die o.m. leiding gaf aan het in 2014 opgeheven NAGO) schetste verleden en toekomst van de problematiek, deed aanbevelingen en probeerde te verklaren waarom het toch telkens niet lukt om een goede infrastructuur voor het bewaren van vormgevingsarchieven te bouwen. Om de huidige situatie te schetsen waren Chris Reijnewald en ik uitgenodigd om te vertellen over onze moeite om een goed onderkomen te vinden voor respectievelijk het archief van designtijdschrift Items (Chris) en het archief van decorontwerper Freek Biesiot (moi).

De hindernissen die Chris en ik tegenkwamen waren van vergelijkbare aard, die van mij lagen misschien meer in het domein van wat in de archiefwereld aangeduid wordt met de ietwat onsmakelijke term ‘ontsluiting’. Want het vinden van een fysieke plaats voor de dozen met tekeningen, foto’s en maquettes was snel gebeurd, het mogelijk maken van ontsluiting van dit materiaal was een hele bevalling. Freek en ik maakten uitvoerig foto’s, lijsten, nummers en leverden dat samen met de dozen in. Wíj weten wel dat die dozen veilig in het depot staan en dat er ergens iemand in een kantoortje in het kleurrijke gebouw op het mediapark zit die op zijn computer onze lijsten en foto’s kan oproepen. Maar als je in de online zoekmachine (in de nieuwste reïncarnatie “DAAN” genoemd) naar “Freek Biesiot” zoekt, vind je NIETS van onze inspanningen terug. Als een archief in een depot ligt en er zijn maar drie mensen die weten dat het er is, bestaat zo’n archief dan wel?

Nu hebben Freek en ik na het beschrijven, nummeren en archiveren nog een tweede slag gemaakt door selecties van het materiaal online te publiceren, vooral op de Beeldengeluidwiki.nl, op Biesiot.nl en op deze site, onder menu-item ‘Inventarisatie ontwerparchieven’ kun je terugvinden waar de archieven van Freek en vele andere decorontwerpers zich bevinden. Die inventarisatie-pagina’s zijn geïnspireerd door de werkwijze van het eerder genoemde NAGO. Het NAGO had geen gebouw, geen depot of tentoonstellingsruimte, het het was een digitale ontsluiting, het maakte zichtbaar wat er nog was (van onder meer Wild Plakken, Jan Bons en Total design) en waar je het kon vinden.

Voor een archief wat zich met audiovisuele media bezig houdt, hebben archieven die voornamelijk papier bestaan, weinig prioriteit. Zeker als je weet dat de audiovisuele dragers, zoals filmstroken, gesneden platen en ampexbanden letterlijk uit elkaar beginnen te vallen. Binnen het omvangrijke digitaliseringsproject en de noodzakelijke reorganisatie na afronding daarvan, is het begrijpelijk dat papier kan wachten. Begrijpelijk, ja. Frustrerend? Ja, dat ook. Ik ben op de bijeenkomst van Stichting Designgeschiedenis wat dieper ingegaan op mijn frustraties en de onmogelijkheid om samen te werken met een instituut in transitie maar besloot de lezing toch niet te te publiceren. Het is oud zeer en ik denk niet dat mijn persoonlijke conclusies zinvol zijn in de context van de problematiek waar Stichting Designgeschiedenis en het Speculatief Design Archief aandacht voor vragen.

Naar aanleiding van de bijeenkomst op 30 november heeft Stichting Designgeschiedenis opmerkingen en aanbevelingen geformuleerd. Deze zijn opgenomen in een brief naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Raad voor Cultuur die namens een bredere lobby waarin de Beroepsorganisatie Nederlands Ontwerpers het voortouw nam. De minister heeft inmiddels gereageerd op die brief. Het Nieuwe Instituut krijgt de opdracht de situatie te inventariseren en een actieplan te formuleren.

Op 7 maart organiseerde ook Platform Scenografie een bijeenkomst naar aanleiding van het Speculatief Design Archief. Want in de theaterwereld is de situatie eveneens suboptimaal. Theater Instituut Nederland moest in 2013 de deuren sluiten. De collectie leidt nu een sluimerend bestaan bij het Allard Pierson Museum van de Universiteit van Amsterdam (voorheen Bijzondere Collecties).

Platform Scenografie bracht mensen samen die op verschillende manieren bezig zijn met het erfgoed van het Nederlands theater. Floris van Guntelaar vertelde over zijn initiatief Scenografen.nl waar scenografen zelf hun (digitale/gedigitaliseerde) archief onder kunnen brengen. Ook Hans van Keulen, conservator van de Theatercollectie vertelde over wat er na de opheffing van het TiN gebeurde met de collectie en wat de plannen voor de toekomst zijn. (Mocht je de Theatercollectie overigens een warm hart toedragen, wijs ik je graag op de mogelijkheid om vriend te worden van de Theatercollectie.) Ikzelf vertelde natuurlijk over Vorm van vermaak en mijn pogingen om decorontwerparchieven zichtbaar te maken.

Het is hoopvol dat beide initiatieven met succes aandacht voor de staat van vormgevingsarchieven vragen. Ik ben daarnaast blij dat decorontwerp, zowel bij de wat meer ‘grafische lobby’ (BNO, HNI en Stichting Designgeschiedenis) als ook de ‘theaterwereld’ niet vergeten wordt.

Meer lezen bij Designgeschiedenis.nl:

Meer lezen bij Het Nieuwe Instituut: