Eppo Doeve in het Persmuseum

Aankondiging van de tentoonstelling over Eppo Doeves politieke prenten over de crisis in het Persmuseum

Aankondiging van de tentoonstelling over Eppo Doeves politieke prenten over de crisis in het Persmuseum

Vanavond opent in het Persmuseum een tentoonstelling van Eppo Doeves spotprenten over crisis en de Nederlandse economie. Maar Doeve was niet alleen politiek tekenaar, hij ontwierp decors en kostuums, bankbiljetten, postzegels, affiches, boekomslagen, maakte monumentale muurschilderingen, illustraties, schilderijen én hij werkte regelmatig voor televisie.

Jop Euwijk, initiator van de tentoonstelling en het onderzoek naar Doeves nalatenschap, vertelde al over het televisiewerk van Doeve tijdens het symposium /boekpresentatie in april 2011. Doeve is regelmatig als illustrator of als gast op televisie te zien. De meeste mensen kennen hem van de fabels die hij samen met Alexander Pola maakte voor Attentie (NCRV) in de jaren zestig en Hier en Nu (NCRV) eind jaren zeventig. Maar Doeve was al op 2 november 1951 op televisie, dat is één maand na de officiële eerste Nederlandse televisie uitzending.

Illustratoren worden in de jaren vijftig regelmatig uitgenodigd om voor de camera hun ‘kunstje’ te vertonen. Zo zien we op de foto’s uit het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (tv-opnames uit de jaren vijftig zijn er bijna niet) onder andere ook Cees Bantziger en Frans Lammers verschijnen. Er werden niet alleen veel illustratoren uitgenodigd, de foto’s laten ook zien dat ze volop experimenteren met vormen en technieken. Ze tekenen live op schildersezels of lange horizontale rollen met papier, soms met meerdere illustratoren tegelijk, er wordt in spiegelbeeld getekend op doorzichtig papier dat recht voor de camera hangt, ze gebruiken installaties met draaischijven en glazen plaatjes, en maken tekeningen met onderdelen die met behulp van schuifjes, ijzerdraadjes en splitpennen kunnen bewegen. Kortom, men is op zoek naar manieren om illustratie aantrekkelijk te maken voor televisie.

Bewegende illustratie bestond natuurlijk al veel langer. Animatiefilms bestaan al vanaf de vroege dagen van de uitvinding van film. Hoewel televisie zich qua vorm en inhoud baseert op bestaande media, zoals theater en radio, is het toepassen van filmische technieken lange tijd niet of nauwelijks mogelijk. Het produceren van een animatie kost immers veel tijd en geld. En daarvan is in de jaren vijftig continue een groot gebrek. Aan de diversiteit van de eerder genoemde voorbeelden en de hoeveelheid illustratoren in televisieprogramma’s blijkt dat de behoefte aan animatie, bewegende grafiek en/of illustratie leidt tot allerlei inventieve manieren om live ‘bewegende illustratie’ te creëren.

Foto's van een televisieoptreden van Eppo Doeve in de jaren vijftig. Naast hem staat omroepster Tanja Koen (NCRV). Collectie: Persmusuem

Foto’s van een televisieoptreden van Eppo Doeve in de jaren vijftig. Naast hem staat omroepster Tanja Koen (NCRV). Collectie: Persmusuem

Doeve is buitengewoon geschikt voor televisie. Niet alleen kan hij snel tekenen – een belangrijke voorwaarde voor televisie – hij kan daarnaast nog veel meer ‘kunstjes’. Hij kan bijvoorbeeld met twee handen tegelijkertijd tekenen, of ondersteboven, hij kan musiceren en heeft een gezellige uitstraling. Bovendien is hij door zijn ontwerp van de Nederlandse bankbiljetten na de Tweede Wereldoorlog een bekende Nederlander geworden. Hij heeft programmamakers dus veel te bieden.

De prominente rol voor illustratie en illustratoren op televisie zoals in de jaren vijftig lijkt in de loop van de jaren zestig te veranderen. Televisie professionaliseert, groeit hard en de NTS afdeling die titels, illustraties en decors verzorgd, groeit navenant. Het is onduidelijk hoe deze ontwikkeling zich precies verhoudt tot de afnemende prominentie van andere illustratoren op televisie. Misschien maken programmamakers liever gebruik van de ‘gratis’ diensten van de NTS-ers of misschien raakt de illustrator die zijn of haar kunstje doet in een programma simpelweg uit de mode. Hoewel illustratie niet van het beeldscherm verdwijnt, verdwijnt langzaamaan de illustrator uit de spotlights.

Maar dat geldt niet voor Doeve, de ‘duivelskunstenaar’ die alles kan. Door zijn dubbele rol als illustrator en bekende Nederlander blijft hij tot eind jaren zeventig een graag geziene gast bij radio en televisie. Ook na zijn verlijden in 1981 besteden veel programma’s aandacht aan zijn nalatenschap. De komende maanden krijgen we de kans op (opnieuw) kennis te maken met Doeve.

Vanaf vanavond tot 1 september is een klein deel van Doeves nalatenschap te zien in het Persmuseum. Later, van 14 juni tot en met 14 juli, is bij Arti et Amicitiae een veel grotere en gevarieerde selectie van zijn werk te bewonderen. Ook aan Doeves televisie illustraties en andere optredens wordt dan aandacht geschonken. In de tussentijd zal ik op vormvanvermaak.nl en eppodoeve.nl af en toe inhaken op Doeve en zijn geschiedenis op de Nederlandse televisie.

Zenderprofilering: overzicht

In het boek Vorm van vermaak besteedde Roy en ik de laatste twee pagina’s aan de vormgeving van Nederland 1, 2 en 3. We maakte een handig overzichtje en schreven de onderstaande tekst. (Het leest natuurlijk prettiger als je het boek voor je neus hebt, dus je kan ook gewoon even naar de winkel lopen en er eentje aanschaffen voor het luttele bedrag van 8 euro.)

npo overzicht


Vormgeving is er om te vertellen wie je bent. Om je te profileren tegenover de rest. Dus zolang Nederland maar één net heeft, bestaat er helemaal geen netaanduiding. Vanaf 1964 (bij de introductie van Nederland 2) komt er enige vorm van vormgeving per net. Een titelkaart met simpele typografie is dan nog genoeg, een net heeft geen eigen gezicht. De omroepverenigingen hebben elk hun eigen uitzendavond en bepalen met hun stationcalls, programmaoverzichten en omroepsters hoe de avond eruitziet. Pas in 1988 begint daar verandering in te komen. Commerciële zenders bieden ander soort programma’s en ook een andere manier van programmeren. Avonden worden zo geprogrammeerd dat de kijker elke avond rond dezelfde tijd ongeveer dezelfde soort programma’s kan verwachten; het horizontaal programmeren doet zijn intrede.

In dit licht besluiten de KRO, NCRV, VARA en EO in 1988 samen op het eerste net uit te zenden. De gezamenlijkheid wordt gevisualiseerd door de zenderopening en -afsluiting. Twee deuren gaan open en ’s avonds weer dicht. De ontwerper, Theo Dijkslag: ‘Deze netstyling was vrij letterlijk een doorgeefluik voor de omroepen, hun eigen identiteit bleef daarnaast gewoon bestaan.’ Op Nederland 2 komen de TROS, AVRO en Veronica tot een vergelijkbare samenwerking. De VPRO blijft op zondagavond echter zijn eigen gang gaan.
De NOS en de niet-ledengebonden zendgemachtigden op het nieuwe Nederland 3 hebben het makkelijker. Geen leden betekent: niet hoeven vechten voor herkenbaarheid. Will Bakkers Nederland 3-piramide verandert dan ook moeiteloos in de logo’s van TELEAC, RVU, NOS. Het zijn de eerste kleine (en soms wat moeizame) stapjes in een proces dat in totaal ruim vijftien jaar in beslag zal nemen. In die vijftien jaar komen veel netlogo’s
en zenderstylings voorbij. Elke keer als de omroepen opnieuw over de zenders verdeeld worden, moet er een nieuw ontwerp komen waar alle spelers van het net zich in kunnen vinden. Geen gemakkelijke klus, zeker niet omdat de netstyling steeds meer zendtijd krijgt.

In 2003 verliezen de omroepverenigingen hun vaste avond, alleen een korte ident vertelt dan nog wie de afzender is. Weer een paar jaar later verliezen de omroepverenigingen hun ‘thuisnet’, de netcoördinatoren beslissen nu wanneer en waar een programma op tv komt. Met de toenemende macht van de netcoördinatoren verschijnt een nieuw merk dat geprofileerd moet worden: de Nederlandse Publieke Omroep (NPO). Voorheen een onzichtbaar regulerend orgaan, sinds 2000 is het NPO-logo te zien in de netstyling op tv, de radiozenders en op internet.

Uit: Roy van Vilsteren en Liselotte Doeswijk, Vorm van vermaak, LJ Veen: 2011, pp. 242-243.

Hoe zit het eigenlijk met….

Eind 2010 schonk Freek Biesiot (van 1965 tot 2000 in verschillende hoedanigheden werkzaam bij NTS/NOS/NOB) zijn archief aan het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Maar wat is er in de tussentijd mee gebeurt? Helaas verneem ik van Biesiot dat de kar met decorontwerpen, foto’s, documenten en objecten nog steeds in het rekwisieten depot van het oude NOS hoofdgebouw staat (bij Hollandse Handen). Niet de ideale plaats om 35 jaar tv-geschiedenis te stallen, lijkt mij. Eens kijken of we daar wat aan kunnen doen…

Dr. No filmtitelsequentie

Sinds gisteren staat m’n eerste artikel voor de prachtige site Watch the Titles online. Ik heb me even verdiept in de titelsequentie van Maurice Binder voor de eerste James Bond film Dr. No. Een invloedrijke titelsequentie, niet alleen voor de vormgeving van alle volgende Bond films maar ook voor de ontwikkeling van titelsequenties in het algemeen. Er is daarom ook al behoorlijk veel over geschreven. Maar één vraag bleef altijd onbeantwoord: waarom heeft Binder de sequentie opgeknipt in verschillende delen met wisselende soundtrack? Die vraag heb ik dus proberen te beantwoorden door de hele sequentie en de betekenis van alle elementen eens onder de loep te nemen. Ga dat dus vooral lezen (in het Engels) bij Forget the Film, Watch the Titles!

Maar omdat het nogal een uitgebreid artikel zou gaan worden, heb ik toch maar een paar zaken laten rusten. Zoals de prachtige trailer, ontworpen en gemonteerd door Binder. De film opent met de fameuze ‘gun barrel sequence’ en gaat na de laatste credits bijna naadloos over in de eerste scene van de film. Maar de trailer opent anders. Eerst zien we een aantal shots uit een (voor de film vrij onbelangrijke) scene en daarna pas worden we door Bond onder vuur genomen. De overeenkomsten tussen die eerste shots uit de trailer en de ‘gun barrel sequence’ zijn schitterend. De witte en rode golfballetjes komen terug als vrolijke animatie in de titelsequentie en in het eerste beeld waar witte ronde bliepjes de namen van de producenten onthullen. De manier waarop Bond, alleen van achter belicht, binnenkomt in zijn donkere hotel kamer klopt perfect met de manier waarop we hem in de ‘gun barrel sequence’ zien lopen en schieten. En net als in de titelsequentie en de hele film schieten we in de eerste paar seconden van de trailer heen en weer tussen gevaar en zwoele verleiding. Heeft Binder zich bij het creëren van de ‘gun barrel sequence’ laten inspireren door deze scenes uit de film? Of is het andersom en heeft Binders ontwerp de cinematografie beïnvloed? Misschien was het een ‘happy coïncident’, door Binder opgemerkt en effectief ingezet. Hoe dan ook, dit is nu wat Binder’s ontwerpen zo briljant maakt.

Overigens wezen de meeste artikelen over de Dr. No sequentie op de invloed van Saul Bass. Maar omdat deze verwijzingen nauwelijks uitgelegd of onderbouwd werden, leek het me onterecht om daar heel veel aandacht aan te besteden. En toen zag ik vandaag deze LP hoes van Saul Bass uit 1956.

Saul Bass Album Cover – Blues & Brass by Elmer Bernstein
via: designopolis op Etsy

Posters van Pim de la Parra

Voor de traileravond bij het Nederlands Film Festival mailde ik met Pim de la Parra omdat we uiteraard van een aantal van zijn films trailers laten zien. Hij stuurde enkele mooie affiches door. Bijzonder spannend is het Duitse affiche voor Bezeten, het gat in de muur uit 1969.

Een andere opvallende is het affiche voor relatiedrama Frank & Eva uit 1973 door Total Design. Ik vond dat wel opmerkelijk want je zou voor de progressieve, alternatieve films van ‘Wim en Pim’ eerder affiches van Jan van Toorn, Swip Stolk of Anthon Beeke verwachten. Maar, hoewel er aardig wat seks in zat, was Frank & Eva van alle $corpio-films misschien wel de minst provocatieve. Het was in ieder geval een film waar een behoorlijk publiek op af kwam. Maar of dat nu door het affiche komt? Net als bij trailers is dat effect helaas niet te meten.

Verder maakte Nicolaas Wijnberg eens een affiche voor $corpio, namelijk die voor Rubia’s Jungle (hier te zien).

Nu we het toch over affiches hebben: het stemmen voor de afficheprijs is begonnen. Meer lezen bij initiatiefnemer van de prijs: Jan Pieter Ekker, stemmen doe je hier. En nog een gratis tip: veel films van Pim de la Parra zijn (voor een schijntje en helemaal legaal) te bekijken via Ximon.nl. En als je de trailers bij deze twee films wil zien -van 35mm op het grote doek- koop dan even een kaartje voor “De filmtrailer: dat belooft wat!” (1 oktober in ‘t Hoogt, Utrecht van 21.00 – 23.30)

Grafisch Geluk naar China


De tentoonstelling Grafisch Geluk bij Museum Hilversum niet kunnen zien afgelopen winter? Niet getreurd, je krijgt nog een kans. Dan moet je alleen wel naar China. Grafisch Geluk gaat op reis en het werk van Jaap Drupsteen en Frans Schupp zal aan het eind van het jaar in een museum in Nanjing hangen tussen werk van de beste Nederlandse ontwerpers van de afgelopen 100 jaar. Daar word ik wel gelukkig van!

Stanley Kubrick en Saul Bass


Alternatieve titelsequentie voor 2001: A Space Odyssee, de maker liet zich “inspireren” door Saul Bass

Vandaag is de Stanley Kubrick tentoonstelling in het EYE filminstituut dan echt open en ook de films komen in roulatie. Vanavond draait bijvoorbeeld 2001: A Space Odyssee (1968) op het grote scherm.

In de tentoonstelling is artwork te zien van grafisch ontwerper Saul Bass. Hij werkte enkele storyboards uit voor Spartacus (1960), ontwierp de titelsequentie en het promotiemateriaal. De kracht van Bass was dat hij telkens een sterk grafisch beeld of symbool wist te vinden of creëren, bij Spartacus werd dat de strijdbaar opgeheven arm van Kirk Douglas met gebroken keten. Dit beeld speelde een centrale rol speelde in de promotie van de film. Bass was door Kirk Douglas binnengehaald, deze acteur was erg gecharmeerd van het werk van de ontwerper. Ook Kubrick was tevreden, maar pas twintig jaar later werkten Kubrick en Bass weer samen, toen Bass het affiche voor The Shining (1980) ontwierp. Dit affiche is iets minder sterk, de close-up van een maniakaal grijnzende Jack Nicholson door de toiletdeur werd uiteindelijk het iconische beeld voor de film in plaats van het door Bass gekozen beeld op zijn affiche. (Meer lezen in de volgende post over Bass en Kubrick)

YouTube staat vol met zogenaamde Saul Bass tributes, variaties, spoofs of hoe je het ook wil noemen. De meeste zijn studentenopdrachten en niet erg goed. Een uurtje surfen en veertig video’s later is het werk van Bass gereduceerd tot wat scheve balkjes, rommelige typografie en het gebruik van zwarte silhouetten. Hoewel sommige spoofs nog wel grappig zijn, kan je – als je het werk van Bass liefhebt – deze playlist maar beter niet bekijken. Het is jammer om te merken dat studenten Bass als inspiratiebron noemen, maar dan niet verder gaan het knippen en plakken van stijlkenmerken uit zijn bekendste filmtitelsequenties. Terwijl het unieke talent van Bass vooral lag in zijn strategie films te reduceren tot dat éne krachtige beeld, een beeld met de potentie om uit te groeien tot icoon voor de gehele film. Hoe bijzonder die gave is, bewijzen al die makkelijke pastiches op YouTube wel.


Alternatieve titelsequentie voor The Shining, de maker liet zich “inspireren” door Saul Bass

de Stargate sequentie

Morgen opent in het EYE filminstituut een tentoonstelling over het werk van regisseur Stanley Kubrick. Niet te zien is deze brief van Con Peterson aan Stanley Kubrick over John Whitney en de slit-scanner waarmee de legendarische Stargate sequentie uit 2001: A Space Odyssee gemaakt is. Want deze hangt tot 19 augustus 2012 in New York bij het Museum of the Moving Image.

Brief van Con Pederson aan Stanley Kubrick gedateerd 23 july 1965, Collectie: Museum of The Moving Image, NY

De brief maakt deel uit van een door Persol (brillen) gesponsorde tentoonstelling. Gastcurator Michal Connor koos 30 “magnificient obsessions”; regisseurs, acteurs, componisten, etc. die op een obsessieve manier met hun vak bezig zijn. Obsessief in positieve zin uiteraard. Douglas Trumbull is één van de uitgelichte filmmakers in dit tweede deel van de tentoonstelling (er zijn drie tentoonstellingen met elk 10 obsessies). Trumbull en Pederson (van de brief) werkten aan de special effects van de film en waren verantwoordelijk de zogenoemde ‘Stargate sequentie.’

In een concept versie van het script van 2001: A Space Odyssee, ook te zien in de tentoonstelling in New York, wijdt Kubrick maar een paar woordjes aan deze sequentie:

INT& EXT SPACE FOG – Fantastic voyage/ through astronimical wonders: the birth of galaxies, great red stars, misty nebulas, etc.

De regisseur liet dit element van het script met opzet open voor de ontwerpers en het special effects team.

Hoe visualiseer je een reis door tijd en ruimte? Trumbull bedacht dat de slit-scan techniek het beste zou zijn om de caleidoscopische effecten te creëren die hij voor ogen had. Belangrijk was dat de kijker de reis zelf zou ervaren en als het ware de ruimte in gezogen zou worden. In de tentoonstelling werd de slit-scan techniek als volgt beschreven: “slit-scan images are created by holding the shutter of a camera open while moving a slice of an image in front of it – similar to the streched-out effect created when a document moves while it is being scanned or photocopied.” Die uitgeveegde weergave van een object geeft de illusie van beweging weer waar Trumbull naar zocht.

Dit principe paste Trumbrull en zijn team toe op film. John Whitney, die enkele jaren eerder een analoge computer bouwde voor de productie van abstracte animaties, was al bezig met het experimenteren met de slit-scan techniek op film in plaats van foto. Ze bouwden een enorme installatie aangestuurd door een analoge computer die de bewegingen van de filmcamera ten opzichte van het achterdoek met artwork en het zwarte paneel met de smalle uitsparing berekende. Ik waag me verder niet aan een beschrijving van hoe het slit-scan filmen precies ging, deze illustratie laat zien hoe de installatie eruit zag. Voorbeelden van het originele artwork en het gefilmde slit-scan resultaat kan je hier zien.

Foto van een slit-scan apparaat op de set van 2001: A Space Odyssee (1968), Collectie Warner Bros. Inc.

Maar goed, de Stanley Kubrick tentoonstelling draait natuurlijk niet alleen om de Stargate sequence of 2001: A Space Odyssee, want Kubrick maakte nog wel meer meesterwerken; Lolita, A Clockwork Orange, The Shining en deze films zijn vanaf morgen allemaal op het grote scherm te bewonderen bij EYE aan het IJ.

Anne Frank

Op 4 mei 1962 was op de Nederlandse televisie het toneelstuk The diary of Anne Frank te zien. De regisseurs waren Karl Guttmann en Willy van Hemert. Peter Zwart ontwierp het decor, in dit geval de zolder van het achterhuis. Helemaal historisch correct is zijn zolder niet, maar in 1962 was er dan ook geen uitgebreide website waar je vanachter je pc’tje even snel in een 3D versie van het achterhuis kon rondkijken (annefrank.org).

TROS

Mooie vondst bij De Slegte: de kalender van Drukkerij Mart. Spruijt van het jaar 1980. Paul Mijksenaar vroeg bekenden uit het grafisch vak om hun drie favoriete merken in te zenden. Dat levert een mooie verzameling op van 52 pagina’s met opvallend veel -al dan niet ironisch bedoelde- nostalgie: Flipje, het Michelin mannetje, Droste, Coca-Cola, enzovoorts. De bijdrage van Rolf Mager, ‘grafisch ontwerper en publicist’ is in ieder geval weinig serieus. Één van zijn inzendingen is het logo van de TROS. Mager noemt als ontwerper de Duitse ontwerper Carl Steinherr. Het hoe en waarom de TROS in 1966 bij deze Steinherr terecht kwam, beschrijft hij helaas niet, maar zijn analyse van het logo is erg vermakelijk.

Doelgroep: enkele honderduizenden apolitieke, aculturele, a-intellectuele ‘bijkomers’ (kenmerk: ‘k heb overdag al sores genoeg, ‘k wil noù-es effe rielèksen’). Criterium naamkeuze (TROS dus): zo neutraal mogelijk, maar nèt even die lekkere zeehelden/hollandseglorie-associatie (gooi los die tros). Vormgevings-formule: geen eigen gezicht (daar herkent de doelgroep zich het best in). Gekozen vorm: een nietszeggende rozet om een tv-beeldscherm (tekenonderwijs 1930), keurig met de passer geconstrueerd (dan kan niemand je verdenken van een eigen handschrift), zonder richting (net als de doelgroep) en van alle kanten gelijkvormig (idem). Volmaakt spanningsloos, dus optimaal relaxend. Beoordelingscijfer: 9.

Aldus Rolf Mager. De TROS is niet het enige tv-logo in de kalender. Misschien leuk om te weten dat in 1980 het VPRO-vignet van Jaap Drupsteen een van de favoriete merken van Titus Yocarini was. En dat W. Warner, bedrijfsleider van drukkerij Spruijt het oude VARA-embleem van Albert Hahn uit 1928 erg kon waarderen. Beide meenden dat wél serieus overigens.

Meer weten:
– Video-interview van Titus Yocarini met Frans Spruijt: Deel 1 en deel 2 (YouTube)
– Weet je iets over Carl Steinherr? Laat het me weten!

Aanvulling 1-2-2015
Tine Paternotte mailde de volgende informatie over Carl Steinherr:

Carl Steinherr is geboren in München, volgde daar zijn opleiding aan de Akademie für das Graphische Gewerbe en werkte daarna als freelance ontwerper voor onder andere Lufthansa. Steinherr kwam in 1962 naar Amsterdam.

Hij was instructor, later assistent art-director aan de Famous Artist Schools. Deze opleiding is in 1947 opgericht door Albert Dorne in Westport (Connecticut VS) en werd door Pieter Strijder, een charismatische en bevlogen directeur, op 4 December 1961 geïntroduceerd in Europa, het hoofdkantoor werd gevestigd in Amsterdam. De Famous Artist Schools was een schriftelijke opleiding van hoog niveau tot professioneel reclametekenaar/illustrator, een ongekend fenoneem in die tijd.

Min of meer bij toeval mocht Pieter Strijder bij AVRO’s Televizier in een interview met Joop van Zijl zijn verhaal vertellen en toelichten, een vorm van free-publicity die een spectaculaire stijging van het aantal studenten veroorzaakte. Omdat het project uniek was bleef ook de aandacht/contacten met de media/omroepen. Mies Bouwman opende de laatste vleugel in een nieuw gebouwd, modern pad aan de Baden Powellweg in Amsterdam-Osdorp in september 1966. Het Instructors Department – de docenten – bestond inmiddels uit 30/35 man/vrouw met 8/9 verschillende nationaliteiten.

De TROS vroeg de docenten een logo te ontwerpen en Steinherrs ontwerp werd uitgekozen. Het oog vormde het uitgangspunt van het logo, het zijn dus eigenlijk vier grafisch gestileerde ogen die het ontwerp vormen, wat Mager hierboven een rozet noemt. Ik vind het grappig dat het nog steeds gebruikt wordt, tijdloos! Steinherr is midden jaren zeventig teruggekeerd naar München.